Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

Soms vraagt iemand mij: «Zijn die kinderen, die praktijkschoolleerlingen, nu werkelijk zo anders? Ze lijken zich vaak raar te gedragen, maar gedroegen wij ons vroeger op school niet net zo?»

Een vraag waarop ik het antwoord niet één-twee-drie kan geven. Ik geloof zeker dat er verschil is tussen bijvoorbeeld mijn leerlingen en de leerling die ik zelf vroeger was, maar waarin dat verschil ’m nu precies zit… Ik kan me uit mijn eigen middelbareschooltijd geen klasgenoot herinneren die het kapsel van een leraar ooit omschreef als «een jodenkapsel», iets wat Hakima zich onlangs tegenover mij liet ontvallen, toen ik net naar de kapper was geweest. Ik kan me ook niemand herinneren die iets tegen Nederland had, die om die reden alle Nederlanders «joden» noemde, of die, zoals Nabila, triomfantelijk op het bord schreef dat de letters HEMA staan voor Holanders Eten Morakanse Afal. Ik kan me ook niemand herinneren die zoveel spelfouten maakte, zo slecht schreef, maar ik zat dan ook niet op een praktijkschool.

Op de lagere school zaten kinderen bij mij in de klas die ik op de middelbare school niet meer aantrof. Die lagere school was weliswaar katholiek maar toch gemengd, kinderen uit allerlei buurten kwamen ernaartoe. Sjonnie kwam uit de Leidse buurt, in Haarlem een bekende achterbuurt. Eén keer waagde een jongen het Sjonnies hegemonie op het schoolplein in twijfel te trekken. Hij zei iets tegen hem wat hij beter niet had kunnen zeggen want Sjonnie bedacht zich geen moment, haalde onmiddellijk uit, uit alle macht, en sloeg de jongen in één klap neer. Zoiets, zoiets resoluuts ook, had ik nog nooit gezien. Het was even, voor Sjonnie, een strijd op leven en dood, dat kende ik niet. Normaal gesproken was Sjonnie, al schoot hij met een luchtpistool op kikkers die hij eerder tot kleine kussentjes had opgeblazen, en die dan ontploften, iets waarover hij levendig kon vertellen, normaal gesproken was deze Sjonnie best aardig. Maar over zijn rekensommetjes deed hij twee keer zo lang als ik, vaak ook kon hij ze helemaal niet maken, iets waarvan ik me herinner dat het me bevreemdde, wat was daar nou zo moeilijk aan?

Misschien kan ik Sjonnie vergelijken met Fouad, die al een paar maanden in de jeugd gevangenis heeft doorgebracht, of met Abdel, die dat vermoedelijk nog te wachten staat. Fouad is een aardige jongen maar tegen mensen die niet aardig tegen hem zijn is hij even hard als Sjonnie. Op Koninginnedag was hij op het Museumplein en daar zei een agent tegen hem dat hij ergens anders moest gaan staan. Die agent zei dat denk ik niet zo aardig, hij zat ook op een paard, waarschijnlijk had het geheel iets dreigends, wat bij Fouad nooit goed valt, en Fouad greep een been van de agent en trok daar net zo lang aan tot de man van zijn paard viel. Voor dat incident moest Fouad onlangs voor komen, maar hij zei later tegen mij dat hij er geen straf voor had gekregen.

Abdel is zo’n jongen die als hij niks te doen heeft met vrienden een supermarkt binnenloopt, en dan moet de bedrijfsleider niks verkeerds zeggen, hij moet ook niet te lang naar dat groepje jongens kijken of hij heeft het met ze aan de stok. Dan is het van: wat kijk je, denk je soms dat wij willen stelen, jij denkt zeker dat alle Marokkanen dieven zijn, kankernederlander, en als de bedrijfsleider verstandig is zegt hij alleen maar dat deze supermarkt de regel heeft dat maar twee scholieren tegelijkertijd naar binnen mogen en of alsjeblieft drie jongens naar buiten willen gaan. Hij doet er onverstandig aan de jongens naar buiten te manen, door ze losjes aan te raken, want dan is het van: wat raak je me aan klootzak, en in het geval van Abdel en zijn vrienden had hij toen de eerste klap al te pakken.

Deze jongens, Fouad en Abdel en hun vrienden, gaan volgens mij verder dan Sjonnie – maar Sjonnie was toen ik hem kende natuurlijk pas twaalf, Fouad en Abdel zijn vijftien en veertien. Fouad en Abdel komen uit ontwrichte en ontwortelde gezinnen, het zijn verwaarloosde kinderen. Sjonnie werd door zijn vader veel geslagen, zei-ie althans altijd zelf, dus een lekker gezin was dat ook niet, maar ontworteld als die Marokkaanse gezinnen was het gezin van Sjonnie niet, dat was toch thuis in Nederland.

Zelf hebben wij, mijn vrienden en ik, vroeger op school ook wel eens vuurwerk afgestoken, op straat hebben wij ook dingen kapotgemaakt, en ook wij vonden het leuk om anderen te pesten. Een jongen noemden wij altijd De Spin en toen de gymnastiekleraar vroeg waarom wij die jongen altijd Spin noemden, hij had immers ook een voornaam, zei mijn broer: «Ja, De.» Al hadden we nog geen mobieltjes, ook wij vonden «mooie spullen» belangrijk, dure of juist versleten kleren, witte gymschoenen. De voorkeur voor merken was er ook al.

De maatschappij is in dertig jaar tijd natuurlijk ook veranderd. Burgers, kinderen ook, zijn mondiger geworden, accepteren gezag minder snel, en dat merk ik als leraar dagelijks. Vreemd voor mij is en blijft dat veel van onze leerlingen bij zelfs de lichtste kritiek onmiddellijk op hun achterste benen staan, en dat ze altijd overal op moeten reageren. Je kunt dat assertief noemen, maar mij lijkt het meer met onzekerheid te maken te hebben. Ja, nu weet ik ook het antwoord op de vraag hierboven. Dít is het verschil tussen mijzelf vroeger, of de Sjonnies vroeger, en mijn leerlingen nu: anders dan wij waren, zijn zij een extreem kwetsbare groep.