Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

Ik mocht bij de minister op bezoek, om tijdens haar lunch wat te vertellen over praktijkschoolleerlingen, dat heet een werklunch. Ik las een kort verhaal voor over de Surinaamse Marvin, die door Karim «dzjonkie» wordt genoemd, en door de twee meter lange Surinaamse Clarence, die zijn mond niet kan houden, «dzjonkei». Clarence is degene die verantwoordelijk is voor de meeste bijnamen in zijn klas, en van dzjonkie, dat op conto van de kleine Karim geschreven mag worden, heeft hij in de loop der tijd iets eigens gemaakt, zoals van bijna alle namen. Hij zou misschien rapper moeten worden, Clarence, want hij heeft iets van een taalvirtuoos, er zijn weinig leerlingen die tegen hem op kunnen. Marvin kan in ieder geval niet tegen hem op, Marvin is voor de meeste leerlingen geen partij en daarom loopt Marvin ook altijd met een verongelijkt gezicht rond, de dzjonkie wordt permanent onrecht aangedaan, hij wordt misschien niet voortdurend gepest maar zijn status is laag, dat is voor iedereen duidelijk. Het heeft hem koppig gemaakt, recalcitrant. Als ik tegen Marvin zeg dat hij aan het werk moet, antwoordt hij doodleuk dat hij geen zin heeft en hij doet dan ook niks, iets wat Karim en Clarence ook wel proberen maar nooit lang volhouden, als ze zien dat ik boos word gaan ze aan het werk, of doen in ieder geval alsof. Maar Marvin houdt dat dan vol, hij zwicht voor geen enkel dreigement en zelfs blijft hij gewoon zitten als ik zeg dat hij dan de klas uit moet – een gevecht overigens dat ik hem laat winnen. In zijn schermutselingen met mij weet Marvin alle ogen op zich gericht, en daar is het de jongen om te doen: brutaal zijn tegenover de meester loont, anders dan tegenover andere leerlingen want die pakken hem genadeloos terug. Bij de meester, voelt Marvin, valt status te halen.

De arme jongen voelt kennelijk niet aan dat iedereen wel ziet dat Marvin zich raar gedraagt. Zo onredelijk is het toch niet dat de meester van hem verlangt dat hij aan het werk gaat? Zelfs om dit koppige gedrag, al lijkt het dan stoer, en al vinden de kinderen de spanning wel leuk, zal hij uitgelachen worden, het bevestigt zijn positie van buitenbeentje, en dat was van het begin af aan wat hem tot pispaal maakte. Het is verschrikkelijk te bedenken wat dit soort kinderen, die feilloos de foute reactie kiezen, in een paar jaar kan worden aangedaan. Uit ervaring weet ik dat ze overal zitten, niet alleen op praktijkscholen, ik had ze vroeger zelf in de klas, zowel op de basis- als op de middelbare school, er liepen er rond op de universiteit – waar ze eerder gemeden dan gepest werden – en in mijn tijd als leraar ben ik ze ook op alle niveaus tegengekomen.

De minister van Onderwijs heeft natuurlijk zelf op school gezeten en als minister inmiddels ook heel wat scholen gezien, maar tijdens die werkbezoeken ziet en hoort ze waarschijnlijk niet dat de kinderen elkaar voor dzjonkie uitschelden, elkaar toeroepen dat ze «naar Centraal Station» moeten en dat hun moeder ook een dzjonkie is die «werkt op Centraal Station» en dat zij daarom «hierzo» komen. Het leek me dat de minister hier weinig of niks van zou begrijpen en daarom legde ik uit dat onze leerlingen daar goed in zijn, creatief ook, in dat schelden, en dat Centraal Station staat voor een plek waar bedelaars en hoeren samendrommen. En dat daarom kom je hierzo betekent: daarom zit jij hier op school, op deze zwarte praktijkschool. Aldus werd ook direct duidelijk wat voor beeld deze leerlingen van hun eigen school hadden, ja wat voor zelfbeeld ze eigenlijk hebben.

Hoe kun je beleid maken zonder dat je weet voor wie je beleid maakt? Je kunt pas weten wat voor soort onderwijs praktijkschoolleerlingen nodig hebben als je die leerlingen kent – de minister doet in ieder geval moeite zich op de hoogte te stellen. Ik zou hier graag hetzelfde over de directie van mijn eigen school beweren, ik zou graag beweren dat de directie onze leerlingen door en door kent en zich op basis daarvan een mening vormt: zo moet ’t, en zo moet ’t niet. Dat men met iets als een visie kwam, of bij gebrek daaraan, daarvoor open stond. In plaats daarvan heeft men een cursusinstituut gevraagd ons de principes van het Nieuwe Leren bij te brengen, de lezer herinnert zich dat. Men moet toch vernieuwen, nietwaar, en omdat de school inmiddels reclame met het Nieuwe Leren maakt, ja zelfs met Krachtig Leren, het staat in iedere folder, houdt men vast aan de dictaten van de nieuwe doctrine, die op de werkvloer allang weer verlaten zijn. Hogerop in de organisatie hééft men geen mening over onderwijs, en hoe zou dat ook kunnen, men geeft daar immers geen les. Je kunt geen ideeën ontwikkelen als je niet heel goed weet voor wie.

Er is een wet, ik heb die niet van mezelf maar van de directeur van een Haags scholenconglomeraat, een inspirerende man wiens denken over onderwijs niet stil staat en die van het matroesjkamodel spreekt. Zoals de directie tegenover leerlingen staat, zo staat zij ook tegenover leraren. Onze directie ziet de leerling niet, ze ziet de leraar ook niet. Er wordt geen moeite gedaan het juiste personeel op de juiste plaats te krijgen, persoonlijke kwaliteiten worden niet gezien, nieuwsgierigheid naar nieuwe ideeën is er ook niet. Er wordt zelfs niet geluisterd, men is vaak niet eens aanwezig. Ik vind het bepaald onleuk – woord van een leerling – mijn leerlingen in de steek te moeten laten, ik was graag met ze meegegaan naar de derde klas, maar dit is de dood in de pot. En de vraag is, altijd weer: als het hier, op deze school waar ik toevallig werk, zo is gesteld, op hoeveel scholen dan nog meer?