Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

Nog niet zo lang geleden sprak ik de moeder van de Antilliaanse Maria en toen zei ik dat het met Maria best goed ging, dat ze hard kon werken en dat het met het spijbelen wel meeviel. Dat ze hard kon werken was waar, dat deed ze soms, maar dat het met het spijbelen wel meeviel was ronduit gelogen, en ik herinner me dat ik me er schuldig over voelde: dit was toch haar moeder, had haar moeder geen recht te weten hoe de vork in de steel zat? Maria zelf was bij dat gesprek aanwezig en ik was bang dat ook ik Maria van mij zou afstoten als ik haar moeder vertelde dat zij gemiddeld de halve week afwezig was. Of eigenlijk zou ik moeten zeggen: gemiddeld de halve dag, want Maria was altijd wel op enig moment op school, en ze kwam dan ook naar de les, bleef niet in de kantine hangen, maar ze was dan al de halve ochtend afwezig geweest of verdween weer als ze haar gezicht even had laten zien.

Ja, ook ik was bang Maria van mij af te stoten – net als haar moeder deed, of misschien deed Maria het zelf wel, ervoor zorgen dat anderen haar van zich afstootten. De veertienjarige Maria, een stevige meid, kan best lief zijn maar kan ook een enorme keel opzetten, laatst beschuldigde de Turk Metin Maria ervan zijn mp3-speler te hebben kapotgemaakt, dat zij die moest betalen, zeventig euro, en toen ik vanaf de zijlijn zei dat als dat waar was ze die empee inderdaad moest vergoeden, dat dat wel zo redelijk was. Ik weet niet meer wat Maria toen allemaal zei, maar ik weet wel dat mijn collega van een lokaal verderop even binnen kwam lopen om te zien waar die herrie vandaan kwam, wie daar zo stond te brullen, dat hij mij hoofdschuddend aankeek, een blik van verstandhouding, en mompelde: «Wat een straatmeid.» Er zat een zekere bewondering in de manier waarop hij dat zei: die Maria kon je beter niet als vijand hebben. Onnodig om te zeggen dat Metin dat geld nooit gekregen heeft, Metin vond dat ik haar moeder moest bellen, dat die het moest betalen, maar ik zei dat hij niet moest verwachten dat ik zijn problemen ging oplossen; het had bovendien helemaal geen zin Maria’s moeder te bellen als Maria bleef beweren dat zij niets kapotgemaakt had, dan was het zijn woord tegen het hare en dan zou haar moeder hem dat geld heus niet geven; trouwens, wanneer leerde hij nou eens dat hij niet zo stom moest zijn om zijn empee aan wie dan ook uit te lenen, hoe vaak hadden we niet al gedoe gehad met die empees, of met telefoons, laat dit nou maar eens een les voor je zijn, Metin.

Een straatmeid, ja – in het nauw gebracht verweert Maria zich als dier in doodsnood, met tanden en klauwen, met alles wat ze in zich heeft. Ik heb Maria dit jaar maar een keer in zo’n toestand gezien, ik kan me voorstellen dat haar moeder haar vaker zo meemaakt, als ze Maria het gevoel geeft dat haar iets wordt afgepakt. Dat ik Maria tijdens dat gesprek enigszins in bescherming nam – geholpen heeft het dus niet. Ik dacht: als ik haar nu laat vallen, voor haar moeder kies, met wie ze toch al zo vaak bonje heeft, zie ik haar helemaal niet meer terug op school. Ik hoopte zelfs dat het misschien het effect zou hebben haar vaker op school te zien, dat was ook wel even zo, maar vanaf het moment dat ze bij haar moeder wegging en bij een tante in Amsterdam-Noord ging wonen – iets dat dit jaar vaker is gebeurd, heen en weer – en ook langer moest reizen, kwam ze sowieso de eerste uren niet meer, vaak bleef ze zelfs hele dagen weg.

Andere kinderen, de Marokkaanse Nabila bijvoorbeeld, die er altijd is, vragen of Maria ook overgaat, naar de derde klas mag, en dan zeg ik maar eerlijk ja, want iedereen gaat over, en ik weet dat de hardwerkende Nabila dat niet begrijpt, niet begrijpt dat het zo werkt op een praktijkschool, waarom heeft zij dan het hele jaar haar best gedaan op tijd te komen en heeft zij altijd alle lessen gevolgd en netjes toestemming gevraagd als ze eens naar de tandarts moest of een feest had omdat haar zus ging trouwen?

Nabila begrijpt dat niet en ik kan het haar niet uitleggen. Je kan dan natuurlijk zeggen dat Nabila toch veel geleerd heeft, dat het daarom gaat, dat Maria al die dingen niet heeft geleerd maar het beroerde en armoedige van de situatie is dat Nabila helemaal niet zo veel meer geleerd heeft dan Maria, die er zo vaak niet was. Als ik de moeder of de tante van Maria aan de telefoon had en zei dat Maria naar school moest komen, dan dacht ik: maar waarom moet dat eigenlijk? Wat doet ze hier dan? Of ze nu thuis niets doet, of op straat hangt, of niets zinnigs doet op school, wat maakt het eigenlijk uit? Wat hebben wij haar eigenlijk te bieden? Maria zelf moet dat ook voelen.

Of ik volgend jaar nog op deze school werk of niet – ik weet het niet. Daarmee is ook onzeker of deze kroniek na de zomer een vervolg krijgt. Ik vind het moeilijk te werken op een school waar het aan van alles en nog wat ontbreekt, vooral aan visie. Maar moet ik daarom weggaan?

Ik vind het ook moeilijk de leerlingen achter te laten. Ik ken ze nu twee jaar, de leerlingen van mijn klas bedoel ik dan, vanaf het moment dat ze hier op school kwamen, ze zullen er nog twee jaar zitten. Jelena, Nabila, Hakima, Ersin, Khalid, Metin etc. Toen ik tegen ze zei dat ik er volgend schooljaar misschien niet meer zou zijn, zei Hakima, de Hakima met wie ik zoveel strijd heb gehad, die Hakima zei: «U mag nu nog niet weggaan meester, u mag pas weggaan als wij van school gaan, na de vierde klas.» Als ik er volgend jaar niet meer ben zal Hakima het ook weer naar haar zin hebben, zich hechten aan haar nieuwe mentor, ik weet wel dat ze mij niet nodig heeft, maar toch, zo’n opmerking, van Hákima, ze heeft me wel geraakt. Misschien is de vraag eerder of ík wel zonder die kinderen kan.