Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

Natuurlijk wordt de Ghanese Jeffrey geschorst, hij heeft de Marokkaanse Nabila tijdens de gymles een blauw oog geslagen, en vechten of slaan, dat weet iedere leerling, betekent een schorsing. Maar voor Nabila, die maar met dat blauwe oog rondloopt, dat er iedere dag weer anders uitziet, van blauw tot paars wordt, van bruin tot geel, voor Nabila is die schorsing niet genoeg. Een schorsing van twee dagen kan de vernedering haar aangedaan niet goedmaken, dat moet haar vader komen doen.

Haar vader komt in de loop van de ochtend het schoolplein op lopen, op slippers, het is een warme dag. De vader van de veertienjarige Nabila is een nog jonge man, voor in de veertig, die er ook nog jong uitziet, veel jonger bijvoorbeeld dan haar moeder, een dikke vrouw met een lange jurk en een hoofddoek. Vader is lang en slank, en draagt een T-shirt en een spijkerbroek. Wel ziet hij er vermoeid uit, hij werkt in een broodfabriek in Haarlem en heeft diepe kringen onder zijn ogen, misschien spelen de nachtdiensten hem parten.

Nabila is al twee dagen boos, haar vader, als hij het schoolplein op komt lopen, is dat ook. Het was in de pauze en ik stond buiten en ik begreep onmiddellijk waarvoor hij kwam, gaf hem een hand en nam hem mee de school in, naar de kamer van ons «gebouwhoofd». Hij is degene die over zaken van orde gaat, en hij is ook Marokkaan, en behalve dat dit zijn pakkie-an was leek het me handig hem erbij te hebben want Nabila’s vader spreekt maar heel gebrekkig Nederlands, net als haar moeder overigens. Bovendien, als Marokkaan kon ons gebouwhoofd misschien beter overweg met de boosheid van deze Marokkaanse vader dan ik dat zou kunnen, eenvoudig omdat hij die misschien beter begreep.

De leerlingbegeleider kwam er ook bij zitten, en zo zaten we met drie docenten, een boze vader en Nabila zelf om de tafel. Nabila’s vader had het erover dat het niet goed was dat kinderen elkaar sloegen, dat als het ene kind het andere wat aandeed dat het dan niet moest gaan slaan maar naar de meester moest stappen, en hoe kon het nu gebeuren dat deze jongen die gevallen was, en die dacht dat Nabila hem had laten struikelen, niet naar de meester was gegaan maar onmiddellijk was opgestaan en zijn dochter een dreun had verkocht, hoe kon dat op een school als deze nou gebeuren, er waren toch regels, dit kon zo toch niet, et cetera.

Zoals ik het nu allemaal opschrijf, zo zei Nabila’s vader het niet, maar dat moest zo ongeveer de strekking zijn, vermoedde ik, van wat hij in het Nederlands, waar nauwelijks een touw aan vast te knopen was, probeerde te zeggen. Nabila zelf zat er stil bij, met licht gebogen hoofd, en een gezicht dat tal van emoties verried: verlegenheid, want dit was haar vader die daar zat, trots, om precies dezelfde reden, schaamte, om het Nederlands dat hij sprak, en opwinding, want dit was ook het moment van genoegdoening, nu zou Jeffrey zien met wie hij te maken had.

Voor ons, docenten, die de boel op school op orde zouden moeten hebben, zijn dit pijnlijke gesprekken – hoe goed begrijpen wij die ouders, hun verbolgenheid, als hun kind is geslagen, hoe machteloos staan wij daar tegenover, want het gebeurt altijd wel, ja het gebeurt zelfs bijna dagelijks. Ook wij schamen ons, dit soort incidenten legt ons falen bloot. Wat kunnen wij tegen die ouders zeggen? Het zijn kinderen, dit soort dingen gebeurt nu eenmaal, maar hoe zwak, horen wij zelf ook, klinkt dit als verweer.

Nabila’s vader nam er in ieder geval geen genoegen mee en het leek mij geen slecht idee Jeffrey zelf er even bij te halen, dan zag haar vader tenminste wie zijn dochter zo had toegetakeld, het zou hem misschien het idee geven minder machteloos te zijn, en zou het niet ook goed zijn voor Jeffrey om te merken dat er mensen zijn die het niet leuk vinden als hij anderen slaat, dat het niet alleen Nabila is die hij er mee heeft, dat zo’n daad verderstrekkende gevolgen heeft. De leerlingbegeleider weifelde, Jeffrey stond alleen, hij had zíjn moeder niet bij zich, was dit niet oneerlijk – uiteindelijk besloten we het toch te doen.

Jeffrey zag ik zelden zo verlegen als tegen over die vader, hij mocht uitleggen wat er precies gebeurd was, beweerde nu dat Nabila hem ook had geslagen, twee keer zelfs, of eigenlijk alleen had weggeduwd maar wel met haar handen in zijn gezicht, zo, en dat hij toen pas, nadat zij dat twee keer had gedaan, had terug geslagen.

Nabila’s vader had hem de hand geschud toen hij binnenkwam en aanvankelijk geduldig geluisterd, maar toen hij tegen Jefrey begon te praten, dat jongens meisjes niet zouden moeten slaan, dat hij naar de meester had moeten lopen en van zijn dochter af had moeten blijven, toen kwam de woede weer in hem naar boven en zei hij ook dat hij als Jeffrey zijn dochter nog één keer zou aanraken weer naar school toe zou komen en hem dood zou slaan. Zijn Nederlands was zo bar en boos dat de helft van wat hij bedoelde te zeggen verloren ging, zeker ook voor Jeffrey, maar het dreigement was duidelijk voor iedereen. Meteen begonnen leerlingbegeleider en gebouwhoofd te roepen dat dat niet kon, zo ging dat hier op school niet, dat mocht meneer niet zeggen, en meneer hield op met praten en luisterde met een half oor, de blik nog altijd op Jeffrey gericht, naar het gebouwhoofd, die op verzoenende toon in het Arabisch op hem insprak. De leerlingbegeleider vond het tijd geworden om Jeffrey terug te brengen naar het kamertje waar hij zijn schorsing uitzat, ik nam Nabila mee naar de les, we lieten die twee Marokkaanse mannen achter om het samen verder uit te praten.

Later hadden we het er nog over of dit nu een goed idee was geweest of niet, Jeffrey erbij halen. Mij leek van wel. Voor Nabila’s vader was Jeffrey geen onzichtbare vijand gebleven, waar hij machteloos tegenover stond, Jeffrey was misschien geschrokken maar was dat niet juist goed, en ook Nabila had haar voldoening gehad, haar vader die achter haar was gaan staan. De zaak was rond en af, het was misschien niet de beschaafdste manier om dingen op te lossen, opgelost was het wel degelijk.