Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

Om het land van veel van onze leerlingen eens te zien, trokken we vorige week en masse naar Marokko. Met dertig collega’s vlogen we naar Casablanca om direct door te vliegen naar Tanger, waar we drie nachten verbleven. Daarna reden we zo’n vijftig kilometer zuidoostwaarts, naar de iets kleinere stad Tetouan, geboortestad van Mo Bakali, die in het gebouw waar ik werk over zaken van orde gaat en deze reis organiseerde – beter dan hij had niemand het kunnen doen. In Tetouan, aan de voet van het Rifgebergte, bleven we niet alleen vier nachten maar bezochten we ook drie scholen. Aan het eind van de week vlogen we weer terug naar Amsterdam.

Al deze feiten, besef ik, zeggen nog niets. Het zijn zinnen zoals ik die wel in opstellen van leerlingen tegenkom: we stapten in de auto, toen reden we naar Frankrijk en naar Spanje en toen namen we de boot en toen waren we in Marokko en we gingen naar het strand en op bezoek bij familie en het was heel leuk. Ik probeer leerlingen dan altijd zo ver te krijgen dat ze iets beschrijven, een gebeurtenis of een gevoel, iets wat ze gezien of gehoord hebben, maar dat valt vaak niet mee. Nu ikzelf iets over deze vakantie wil zeggen, iets meer dan alleen dat we dit of dat deden, merk ik weer hoe moeilijk het eigenlijk is.

Aan mij openbaarde Marokko zich als een dwerg, dat wil zeggen, de meeste indruk hebben de dwergen gemaakt. Nog nooit ben ik in een week tijd zoveel dwergen tegengekomen. De eerste was wat je noemt een lilliputter, een dwerg met een naar verhouding groot hoofd, een echt Marokkaans directeurenhoofd, met een ernstig gezicht en een snor en een bril. Deze dwerg was in een op maat gesneden pak gestoken, hij leek de manager te zijn van de Pique Nique, een bar annex nachtclub in de nieuwe stad van Tanger. Het grootste deel van de avond zat hij op een hoge barkruk, zijn onderbenen bungelden maar wat, hij dronk water en keek verveeld om zich heen. In de Pique Nique, een gezellige kelder van hooguit dertig vierkante meter, speelde een band het soort muziek van de bekende raïzanger Cheb Khalid – de dwerg zong af en toe ook een nummer. Een grote man, die als hij lachte wel iets van Jan Peter Balkenende weghad, was onder de verschillende zangers die hier optraden onovertroffen.

Er zaten in die kelder vrijwel alleen mannen en we hadden het erover of dit nu een tent voor homo’s was of niet. Er werd door de mannen veel gedanst en was het nou zo dat hier jongens kwamen dansen om door deze mannen te worden opgepikt? Als toerist kan het even duren eer je in de gaten hebt wat het is dat je ziet, en een week Marokko was voor ons te kort. We zijn er niet achter gekomen wat zich in de Pique Nique nu eigenlijk afspeelde, maar van de muziek hebben we genoten.

In de Pique Nique werd alcohol geschonken; er zijn meer plaatsen waar dat gebeurt, disco’s bijvoorbeeld. Daar lopen ook vrouwen rond, meisjes eigenlijk, en aanvankelijk dachten we dat we hier eindelijk de hippe studentes zagen die we op straat maar nergens konden ontdekken. Op straat lopen wel vrouwen, dat wel, en ook wel zonder hoofddoek, maar zo modern, ja zelfs gewaagd gekleed als deze studentes die om één uur ’s nachts de disco binnenkwamen hadden we ze nog niet gezien. Hier bleek het minder moeilijk om vast te stellen dat deze hippe studentes feitelijk hoeren waren, wat verder niets zegt over de meisjes in kwestie.

In zo’n disco, of bordeel – de twee zijn in Marokko synoniem – zag ik die andere dwerg, die echt een dwerg was. Hij was kleiner nog dan de lilliputter, hij reikte tot aan mijn knieën, en hij had het uiterlijk van een Indiase zigeuner. Dit was echt een heel klein zigeunertje, eentje in miniformaat, met een heel klein rond hoofdje, een fijngesneden gezichtje, hele kleine handjes en voetjes. Hij zag er jong uit voor zijn 35 jaar en wekte vertedering op het moment dat je hem zag; de meisjes die op de dansvloer dansten konden het niet laten hem af en toe op pakken en aan hun borst te drukken. Uit pure levenslust maakte het dwergje zo nu en dan spontaan een koprol over een stoel. Hij ging gekleed in een matrozenpakje.

We wandelden door de medina, de oude stad, bezochten scholen, waar we met groot enthousiasme door de kinderen werden begroet, en een boerenmarkt in een dorp, waar kippen, nadat hen de keel doorsneden was, head first in een ijzeren trechter gegooid werden om leeg te bloeden. De week was, precies zoals reisgidsen het willen, een feest van kleuren, geuren en geluiden. We begrepen beter waarom onze leerlingen nu eigenlijk in Nederland waren, troosteloos als het gebrek aan perspectief is ook voor diegenen die scholing hebben genoten, want hen wacht vrijwel zeker werkloosheid. Ikzelf was al eerder in Marokko, in 1991; ik heb er toen een maand rondgereisd. Marokko nu was anders dan in mijn herinnering, rijker vooral. Veel meer auto’s, de mensen veel minder armoedig gekleed en meer gewend aan toeristen, die met rust gelaten worden. Voor alcohol, of voor een meisje, hoef je je arm maar te strekken. Vooruitgang dus.