Een slotbeschouwing

Bij ons op de praktijkschool

Een slotbeschouwing

Onze chroniqueur van een praktijkschool in Amsterdam staakt zijn rubriek in De Groene Amsterdammer. De oplettende lezer rook voor de zomer al onraad. Kees Beekmans legt nu uit waarom.

Voor mijn gevoel heb ik het afgelopen schooljaar ook wel enig succes geboekt. Neem Ravinder. Deze jongen, van Indiase of Hindoestaans-Surinaamse afkomst, ik weet dat niet eens, kwam van een andere school en het was hem aan te zien dat hij zich bij ons niet onmiddellijk thuis voelde. Ravinder, veertien of vijftien jaar, te dik, kort zwart stekelig haar, liep er met afhangende schouders bij, zijn blik had iets schichtigs, meestal keek hij naar de grond. Hij bewoog ook onhandig, zo’n jongen die niet goed is in sport, een net te trage en wat onzekere motoriek, eigenlijk was er in zijn bewegen behalve iets slooms ook iets vrouwelijks, een vleugje maar – niet genoeg om voor homo uitgescholden te worden, beslist genoeg om te zien dat je voor Ravinder, ondanks zijn massa, niet bang hoefde te zijn. Iedere leerling heeft ook die roofdierenblik, die blik die onmiddellijk ziet wat er aan een ander mankeert, waar zwakheid zich openbaart.

Ravinder vond aansluiting bij de Marokkaanse Adil en de Antilliaanse Donald, allebei ook nieuw, jongens daarentegen die wél gevaarlijk waren – ook dat maakte een eerste blik meteen duidelijk. Adil en Donald waren een jaar ouder dan de meeste van onze leerlingen en bijna een kop groter, grote, stevige jongens die zich niets lieten zeggen. Met z’n drie en vormden ze een gelegenheidspact, ze kenden elkaar omdat ze van dezelfde school kwamen, en alledrie kenden ze hier verder nog niemand – zelfs Adil en Donald zullen het prettig gevonden hebben ten overstaan van honderd leerlingen die elkaar al wel kenden niet maar met z’n tweeën te zijn. Of dat de reden is dat Adil en Donald iemand als Ravinder accepteerden, ik zal er nooit achter komen, feit is dat Ravinder behoorlijk chagrijnig kon kijken en, al bewoog hij niet zo soepel als een Adil of een Donald, met succes het imago van de slome bullie cultiveerde. Hoe dan ook, Ravinder hoorde bij de zware jongens, en als er iemand door Adil of Donald geslagen werd, droeg hij daaraan zijn steentje bij. Hij had iets van een jakhals – ook hij moest overleven.

Aanvankelijk gaf ik Ravinder maar twee of drie uur per week les, maar toen we het Nieuwe Leren invoerden en de leerlingen op de meeste dagen zelf konden kiezen bij wie ze in de klas zaten, zag ik Ravinder vaker. Hij had niet veel vrienden op school, liep er meestal wat verloren bij – dat Adil en Donald anders waren voelde hij zelf ook wel, trouwens, Adil en Donald waren er steeds minder vaak – en hij voelde zich kennelijk op zijn gemak bij mij. Hij intrigeerde me, die jongen die altijd zo boos keek en deed alsof hij niks van je moest hebben maar die toch wel een aardig gezicht had, als je wat beter keek, zeker als hij lachte. Ik wist ook niet wat ik met Ravinder moest doen, ik bedoel, wat voor werk ik hem nu weer moest geven, te meer daar hij nooit veel deed. Hij had meestal nergens zin in, vond alles ook moeilijk, accepteerde wel dat ik het een of ander voor hem neerlegde – probeer dit dan te maken Ravinder – maar hield daar meestal al snel mee op. Ook wat eenvoudiger werk maakte hij nooit af. Ik liet hem maar. Hij was geen onruststoker, als hij ergens zat, dan zat hij ergens, soms zat hij een uur lang muziek te luisteren, hij had zijn mp3 altijd bij zich. Het was leuk, merkte ik gaandeweg, Ravinder te provoceren, hem voor de grap een stomp tegen zijn schouder te geven en tegen hem te zeggen, in de taal van de leerlingen: ik geef je d’r eentje Ravinder, je doet helemaal niks, als je niks blijft doen sjloop ik je. Ravinder liet provocaties nooit onbeantwoord, hij sloeg me onmiddellijk terug, op zijn eigen wat onhandige manier, niet zonder zelf te beseffen dat hij een grens overschreed, die blik had hij altijd in zijn ogen, dat licht-angstige van wel te weten dat hij iets deed dat niet mocht en hoe zou ik daarop reageren.

Hij ontdooide. Een collega vond het grappig een muis die hij in de winkel had gekocht in mijn tas te stoppen, en ook een in mijn kluisje, en ik moest iets met die muizen, gelukkig stond er nog een kooitje op school. Nu had ik twee muizen in mijn lokaal, die al na een dag begonnen te stinken. Ik kon het hok schoonmaken, een dag later rook je de stank van die muizen al weer, en Ravinder, die binnenkwam, zei onmiddellijk dat hij in dat sjtinkende lokaal geen les wilde hebben, u sjtinkt meester, ja ik was van nu af aan «sjtinkende Beekmansj». Hij heeft het een tijd lang volgehouden zo mijn lokaal binnen te komen, sjtinkende Beekmansj zingend, en schokschouderend van een verlegen soort lachen: sjtinkende Beekmansj, sjtinkende Beekmansj…

Ik zou het waarschijnlijk vervelend gevonden hebben als andere leerlingen zoiets tegen mij zouden zeggen, bij Ravinder heb ik me er nooit aan gestoord. Het ging hem alleen maar om mijn aandacht. Het zichtbare plezier dat de jongen erin had mij zo te noemen, nooit zonder verlegen te lachen en zonder licht-angstvallig mijn reactie te peilen – eigenlijk genoot ik ervan hem zo te zien, zozeer thuis op school dat hij dit soort dingen durfde te zeggen, zich zo goed amuserend, ik vond het niet erg daarvan het slachtoffer te zijn. Maar ik genoot ook van zijn stem, dat zware, half neuriënde gebrom. Ik was de jongen al graag gaan mogen, maar door dat sjtinkende Beekmansj kwam hij mij nog veel nader.

Als ik op het jaar terugkijk was er eigenlijk niet veel anders te doen dan een band met leerlingen opbouwen – en bij Ravinder ging dat op deze manier. We hadden de boeken weggegooid en zouden allerlei projecten gaan doen, onder de noemer Nieuw Leren, maar er is niets van terechtgekomen. Dus ging iedere docent voor zich, toen het Nieuwe Leren door een gebrek aan voorbereiding en aan wat niet al maar niet uit de verf wilde komen, maar weer op zoek naar lesmateriaal, want als je kinderen drie, vier, soms vijf uur per dag in de klas hebt, wil je ze toch wel iets te doen geven. Nog nooit, in twaalf jaar lesgeven, heb ik het gevoel gehad leerlingen zozeer te kort te doen, ze werkelijk alleen maar bezig te houden, omdat ze toch braaf kwamen opdraven om half negen, althans de meeste. De ouders bellen van de leerlingen die te vaak niet kwamen, durfde ik op een gegeven moment nauwelijks meer, want wat moest ik zeggen als die leerlingen tegenwierpen dat ze op school toch niks deden? Dan hadden ze gelijk.

Waren dit andere leerlingen geweest dan praktijkschoolleerlingen, dan had ik beter geweten wat ik met ze had moeten of kunnen doen. Maar dit waren geen gewone leerlingen, niet het soort leerling dat ikzelf ooit was. Dit waren leerlingen die wel konden optellen en aftrekken, en delen en vermenigvuldigen, als het maar niet moeilijker werd dan drie keer zeven – en zelfs dat is voor velen al te moeilijk. Taal. Wat te doen als ze teksten misschien wel konden lezen, zij het met moeite, maar dat nooit wilden, daar gewoon geen zin in hadden, het ook niet deden, dus de vragen erbij ook nooit konden maken? Nooit heb ik zo veel over leerlingen nagedacht, wat moet je dan met ze doen? Het antwoord is eigenlijk voor de hand liggend: dit soort leerlingen moet dingen doen. Het zijn praktijkschoolleerlingen.

En wij waren geen praktijkschool, al hadden we die naam. We gaan nu ons derde jaar in. De praktijkschool was een nieuwe opleiding binnen ons vmbo, daaraan vastgeplakt, en net als met het Nieuwe Leren is er nauwelijks iets voorbereid. De kinderen stonden voor de deur, ze werden toegelaten, er was een gebouw voor ze, maar het was niet uitgerust. Het was een gebouw waar gymnasiumleerlingen beter op hun plaats zouden zijn, al zitten de meeste daarvan in nieuwere, modernere gebouwen. We zijn in die drie jaar drie keer verhuisd, ieder jaar. En nog steeds is er voor deze leerlingen geen enkele extra faciliteit. Nog steeds zitten ze het grootste gedeelte van de dag in theorie lokalen, en worden ze beziggehouden met onzinnige opdrachten. Nog niet eenderde van de lesuren is gewijd aan praktijkvakken. Terwijl dat tweederde zou moeten zijn.

Voor dit soort leerlingen moet je een school anders inrichten, dat heb ik wel geleerd. Dit zijn leerlingen afkomstig uit de onderklasse, uit vaak gebroken en arme gezinnen, uiterst beperkte kinderen, die op de koop toe nog allochtoon zijn ook, met ouders die hier nog niet zijn geworteld. Juist deze kinderen moeten de kans krijgen te ondervinden welke talenten ze wél hebben, en die talenten te ontplooien. Bij ons op school, in die theorielokalen, krijgen ze die kans niet, wordt talent verspild. Van kinderen die toch al denken dat ze dom zijn en er niet bij horen. Ze hebben weinig gevoel van eigenwaarde, juist deze kinderen hebben het nodig te ontdekken waar ze wel goed in zijn, op school. Maar ook en zo veel mogelijk buiten school, op wat leer-werkplekken genoemd worden, onder leiding van een goede mentor. Deze kinderen moeten én leren én socialiseren – op onze zwarte school ge beurt geen van beide, ze krijgen de kans eenvoudig niet. In het ideale geval, zo stel ik mij voor, kun je zo’n leerling die begint te ontdekken dat ook hij of zij iets kan, en voor de maatschappij iets kan betekenen, met dat gegroeide zelfvertrouwen ook aan het rekenen en lezen krijgen. Maar eerst moet zo’n kind succes hebben, eer het ergens aan begint waarin het tot dan toe altijd heeft gefaald.

Hun ouders moeten de school ook in. Nu zijn die ouders te vaak machteloze toeschouwers, die niets van de school of wat hun kinderen daar doen begrijpen, die slecht Nederlands spreken en die zo het respect van hun kinderen verliezen. Ook hier ligt een taak voor de school, die ouders te helpen de ouderlijke macht te herwinnen. Hoe? Door ze via de school Nederland binnen te halen. Door ze les te gaan geven, taalles, computerles, opvoedingsles, willekeurig welke les, maar de school moet ook hun terrein worden. En door de school tot hun domein te maken, wordt ook Nederland dat, althans iets meer. De school kan zo niet alleen de kinderen helpen groeien, maar ook de ouders. Aangezien dit, met die ouders, integratiepolitiek is, moet het natuurlijk niet uit onderwijsgeld betaald worden.

Adil, nu al een veelpleger, prototype kut-Marokkaan, heb ik ook beter leren kennen, ik heb ook over hem geschreven, het is au fond best een aardige jongen. Ook hem kan onze school, die zo belabberd is ingericht, niks geven, terwijl je bij hem met een goede en misschien zelfs inspirerende opleiding nog een eind zou kunnen komen. Hij was er vorig jaar maar zelden, dit jaar zie ik hem wat vaker, als ik hem tegenkom praat ik even met hem, maar de kans dat hij de school afmaakt lijkt mij klein. Wij hebben hem immers niets te bieden. Hij is nu nog zestien, hij wordt ook ouder, hij zal zijn heil elders zoeken, zoals hij het grootste deel van zijn tijd nu al doet, hij kent de weg.

Donald? Donald heb ik redelijk vaak in de klas, de glazen blik waarmee hij vorig jaar op school rondliep is verdwenen, hij heeft nu contact met zijn omgeving, soms zie ik hem zelfs lachen, maar hij houdt afstand. Ook hem doen we te kort. Ook voor hem, zo kwetsbaar, zo gevoelig voor macht en status, hou ik mijn hart vast. Ook hem houden we niet op school met onbenullige rekensommetjes en taallesjes. Donald komt alleen nog naar school, Adil trouwens ook, omdat het er gezellig is, omdat ze er leeftijdgenoten treffen. Ik denk dat de meeste van onze leerlingen voornamelijk daarom naar school komen.

Ik heb ontslag genomen. Ik zou toch worden ontslagen, aan het eind van dit nieuwe schooljaar, omdat onze school krimpt, bijna de helft van de docenten moet uiteindelijk weg. Maar ik heb geen zin het jaar vol te maken, weer zo’n jaar van leerlingen onzinnig bezighouden, het vreet aan me.

Jammer vind ik het wel. Ik ben er van het begin af aan bij geweest, ik ken alle praktijkschoolleerlingen al twee jaar, ik was graag tot en met het vierde jaar bij ze gebleven. Ik zal ze zeker missen, de Ravinders, de Adils, de Donalds, en natuurlijk ook de Nabila’s, de Hakima’s, de Jelena’s. Maar als ik op school eigenlijk niets anders voor ze kan doen dan het gezellig voor ze maken in de les, dan is dat te weinig.

Kees Beekmans blijft regelmatig voor De Groene Amsterdammer schrijven, zij het vanaf een heel andere locatie dan de school die hij nu heeft verlaten.

Redactie