Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

En zo langzaamaan kent iedereen zijn plaats wel in de klas. Zo tegen half negen komen de leerlingen één voor één binnendruppelen, sommigen zijn een paar minuten eerder in mijn lokaal aanwezig, anderen komen een paar minuten te laat, maar er is niemand die daar moeilijk over doet, ook ik niet. Ik weet dat ze graag naar school komen, omdat ze dat gezellig vinden. Ik weet dat ze graag bij mij in de klas zitten. Ik weet ook dat zij weten dat ik het niet leuk vind als ze stelselmatig te laat komen. Ze komen ook op tijd omdat niemand de uitzondering wil zijn – ze zouden dat ook niet van elkaar accepteren. «Meester Ersin hij heeft gister gespijbeld hè,» roept Metin zodra Ersin de klas binnenkomt. «Die Turk wil niet naar gym.»

Metin is een Turkse jongen, net als Ersin, maar het weerhoudt hem er niet van Ersin «die Turk» te noemen. Ook de Marokkaanse Khalid en de Ghanese Jacob noemt hij graag «Turk». Zelfs tegen mij heeft hij wel eens «hee Turk» gezegd, toen vond ik het wel nodig daar iets van te zeggen. Metin komt op mij over als een verwaarloosde jongen. Dat zit hem niet in zijn kleren, hoewel die mij, die zwarte pantalon, dat witte overhemd, wat ouderwets aandoen. Ik heb zo het vermoeden dat zijn vader, die ik één keer op een ouderavond heb gesproken, alcoholist is. De veertienjarige Metin was vorig jaar nog een kind, rustig, timide zelfs, maar de laatste maanden doet hij zich meer gelden, krijgt hij meer bravoure. Hij is gegroeid en begint iets mannelijks over zich te krijgen. Ondertussen doet hij niet veel meer.

Metin en de nog kleine maar wel stevige Ersin, die door iedereen graag geslagen wordt, zelfs ik heb die neiging, trekken veel met de Ghanese Jacob op, en met de Marokkaanse Khalid. Khalid wordt gerespecteerd omdat hij zo dik en zwaar is dat hij als onoverwinnelijk wordt beschouwd, maar hij heeft ook zijn zwakheden, zijn stotteren bijvoorbeeld, en de laatste tijd houdt hij zich enigszins buiten de groep op. Voor mij is dat prettig want het betekent ook dat hij Ersin niet meer voortdurend te grazen neemt. Khalid zit dicht bij mij en werkt hard, en ik help hem graag met zijn werk, wat hij prettig vindt.

Jacob is van de jongens de meest sprankelende, extraverte persoonlijkheid, degene ook die het graagst lacht, terwijl hij het als wees toch moeilijker moet hebben gehad dan alle anderen. Hij zorgt voor sfeer in de klas, werkt bij mij zelden of nooit maar wel bij de praktijkvakken, en ik heb daar vrede mee. Ik vind het al prachtig dat ik met Jacob al maandenlang geen conflict meer heb, geen enkele docent trouwens, en het blijft me ontroeren, zo graag als de jongen op school is, zo goed als je ziet dat hij het heerlijk vindt in de klas, onder klasgenoten als een vis in het water is.

Ten slotte hebben we nog Abdel, om wie ik me zorgen maak. Abdel, de jongen heeft beslist een leuk gezicht, maar het is nu al een halve boef. Abdel is er later bij gekomen, uit een andere klas naar de mijne verhuisd, en valt er wat buiten maar hij heeft op school genoeg vrienden. Hij wordt ook gerespecteerd – daar zorgt hij wel voor want hij pikt niets. Hij trekt iets meer naar de meisjes toe.

En ook in het groepje van de meisjes heeft iedereen zijn plaats gevonden: Nabila, Hakima, de Servische Jelena, en Ouafa zijn het hechtst, de twee Surinaams-Antilliaanse meisjes vallen er enigszins buiten maar worden niet buitengesloten, integendeel. Maar die hebben buiten de klas betere vriendinnen, en het viertal dat ik eerder noemde is elkaars beste vriendin, net als Ersin, Metin en Jacob dat zijn. Nabila, Hakima en Jelena zijn alledrie schreeuwers, een grote mond en niks pikken, maar vooral Nabila werkt graag en doet haar best, Hakima blijft zeggen dat ze naar het vmbo wil en dan doorstromen naar het hbo, hoewel ze me het antwoord schuldig moet blijven als ik haar vraag hoeveel keer vier acht is. Het is vooral de formulering van die vraag die haar in verwarring brengt, want als ik vraag hoeveel twee keer vier is weet ze het antwoord wel meteen. Maar toch.

Van Jelena, net als van die andere twee schreeuwers, weet ik inmiddels ook precies hoe ik haar het best kan behandelen, of benaderen – het zijn stuk voor stuk dames met gebruiksaanwijzing. Jelena doet niks en kan niks, kan eigenlijk alleen tekenen en kleuren, en ook daar heb ik me bij neergelegd. Soms probeer ik het nog om haar wat rekensommetjes te laten maken, maar als ze na twintig minuten echt geen zin meer heeft, laat ik haar maar. Alleen Ouafa is een makkelijk meisje. Ze is bescheiden, vriendelijk, beleefd, doet altijd wat je vraagt. Het is prettig ook één zo’n leerling in de klas te hebben.

Er zijn nog drie leerlingen, die heb ik niet beschreven, maar ook die zijn hier op hun pootjes terechtgekomen. We zijn allemaal aan elkaar gewend. Er is nog maar zelden ruzie. Ze komen binnen, gaan in hun eigen groepje zitten, en kletsen bij, vooral de meisjes. Sommige leerlingen praten met mij. Na een kwartier zeg ik: «Jongens, jullie moeten aan de slag», en de meesten doen dat dan. En als ze er een halfuur voor tijd mee ophouden, waar ik niks tegen kan doen, tel ik mijn winst, want dan hebben ze toch een uur lang heel gemoedelijk zitten werken zonder dat ik ook maar een moment iets als orde heb hoeven houden.