Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

Ik zeg tegen Abdel en Karim, die in de kantine zijn, dat ze met me mee moeten lopen naar de directeur, dat ze hier even moeten gaan zitten, even wachten tot de directeur klaar is, dat hij met ze wil praten. Abdel reageert zoals Abdel in dat soort situaties altijd reageert: hij verzet zich, waarom moet ik naar de directeur, wat heb ik gedaan, maar hij loopt ondertussen wel mee, nog wel. Hij is nu nog veertien, als hij zestien is, is hij vermoedelijk niet meer zo gezeglijk.

De kleine dikke Karim is bang, angstig, wat staat hem te wachten? Hij moet er een vermoeden van hebben, hij verzet zich niet. Ik ken Karim, met zijn hoge, hese stem ook anders, als een klein opgewonden kereltje, een druktemakertje dat met een wervelwind van verontwaardigde gebaren iedere eventuele schuld al bij voorbaat afwijst. Maar nu is hij rustig, gelaten bijna.

En wat voor indruk heeft de lezer eigenlijk van de directeur, van een directeur, zou ik misschien moeten zeggen. Ziet hij of zij een man in pak voor zich? Een man met een buik, die zich gewichtig voordoet? Dan heeft de lezer een verkeerd beeld. Onze directeur is, je ziet dat in één oogopslag, afkomstig uit de jaren zestig. Hij is klein, tenger, tanig, draagt alleen op ouderavonden een pak, van betrekkelijk goedkope snit, dat hem slecht zit. In zijn zachte, ja bijna onhoorbare manier van spreken, zou je als je kwaad wilde gewichtigdoenerij kunnen ontwaren, zo zeker als deze man ervan lijkt te zijn dat iedereen, hoe zacht hij ook spreekt, wel naar hem zal luisteren. Hoe kijken leerlingen naar hem? Ze zijn op het eerste gezicht niet onder de indruk. Dit is in hun ogen geen directeur maar een man in een zwarte spijkerbroek, met een T-shirt aan. Maar ze zijn gevoelig voor de rust die hij met zijn zachte spreken uitstraalt en als ze voor zijn deur zitten te wachten, de deur van de directeur, dan weten ze: er is iets mis. Er zwaait wat.

Collega R. is haar sleutel kwijt, de sleutel die op ieder lokaal past en ook op de fietsenstalling. Het moet een leerling zijn geweest die hem van haar sleutelbos heeft gehaald. Het gezicht van de directeur betrekt, de sloten van alle lokalen vervangen gaat onze school, toch al in financiële moeilijkheden, weer tweeduizend euro kosten. Ik sta erbij en vraag R. sinds wanneer ze die sleutel kwijt is, hoe dat kon gebeuren, wie dat volgens haar heeft gedaan. Ik merk bij de directeur – die zijn handen vol heeft aan een vechtpartij buiten de school, moet uitzoeken welke van onze leerlingen daarbij betrokken waren – dat het hem op dit moment te veel is, hij door de bomen het bos niet meer ziet, ook dit nog, hij kan het er niet bij hebben. Even moet het hem zijn alsof die warreling van honderdvijftig leerlingen, die als je niet oppast maar raak doen, hem dreigt te overrompelen, de macht in het gebouw over dreigt te nemen. R. noemt de namen van Abdel en Karim. Eén van de twee moet het hebben gedaan, denkt ze.

En anders, denk ik, zullen ze zeker weten wie het wél gedaan hebben. Vooral deze jongens, vooral Abdel, die er altijd bij betrokken is als er iets vervelends gebeurt, niet altijd de hoofd dader is, daarvoor zijn ook andere gegadigden, maar wel betrokken. Ik zeg tegen de directeur dat dit toch op te lossen is, dat als je met een paar leerlingen spreekt je zo weet wie die sleutel heeft. En ik ga Abdel en Karim voor hem halen, en zet ze voor zijn deur neer.

Als ik zie dat ze daar in verband met die vechtpartij, die de directeur tijd kost, een half uur later nog zitten, begint Abdel tegen mij uit te varen. Wat heeft hij met die vechtpartij te maken, hij zit hier zijn tijd te verdoen, hij wil naar huis. Typisch Abdel. Hij weet wel dat het om die sleutel gaat, maar zolang wij nog niets kunnen bewijzen heeft hij het gelijk van de vermoorde onschuld aan zijn zijde, en probeert daarmee mij onder druk te zetten. «Wacht nou nog maar even Abdel, de directeur heeft zo tijd voor je.» Het is warm in het gangetje waar de jongens zitten, de zon schijnt er door de ramen, en de kleine dikke Karim zit flink te zweten in het trainingspak waarmee hij naar school is gekomen.

De directeur is zo verstandig met Karim te beginnen, hem te zeggen dat híj de sleutelbos van R. het laatst in zijn handen heeft gehad en dat zijn vader de rekening van tweeduizend euro krijgt voor al die te vervangen sloten. Nu breekt het koude zweet de jongen uit, en hij bekent: Abdel heeft de sleutel gepakt. Abdel kraken is vervolgens niet zo heel moeilijk meer.

Een sleutel. Je kunt het symbolisch zien, leerlingen die de macht overnemen – en dat is wel wat voor Abdel. De jongen zit nog op de rand van niet-deugen, een sjacheraartje, altijd met dure telefoons in de weer. In de klas werkt hij nauwelijks, dingen regelen vindt hij leuk, een boodschap doen, lesmateriaal kopiëren. Wat, vraag ik me af, kunnen we hem nu eens laten doen zodat hij zich op school zo goed voelt dat hij het niet meer hoeft te hebben van het spuiten met een brandblusapparaat op de gang, het intimideren van brugklassers, of het stelen van een sleutel? Wat?