Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

Paul Scholten was in de late jaren zeventig leraar Nederlands op het Triniteits lyceum in Haarlem – ikzelf was daar toen leerling. Ik herinner me niet veel van hem, behalve dan dat hij het halflange haar had dat bij dat tijdperk hoorde, dat hij in de klas shag rookte, leerlingen mochten bij hem ook roken. Verder herinner ik mij dat er een halfversleten, halfdoorgezakte roodfluwelen bank bij hem in het lokaal stond. Om de een of andere reden zaten op die bank vooral de rokende meisjes, zestien-, zeventienjarige meisjes, die dan met Scholten, die tussen hen in op die bank zat, in discussie waren over «het systeem», dat niet deugde. Mij interesseerde het systeem in die tijd helemaal niet – wel jammer dat daardoor die rokende, mondaine meisjes, die alles afwisten van Nicaragua, zo ver weg waren, ja heel wat dichter bij de kleine, magere Scholten stonden, of zaten, dan bij mij. Ik begreep ook nog niet wat wij eigenlijk met dat hele Nicaragua te maken hadden.

Scholten kwam ik in diezelfde periode ook een keer bij een vriend tegen. Hij was bij diens ouders op bezoek, op vrijdagavond, gewoon, een pilsje drinken, iets wat ik ook raar vond. Scholten moest al heel wat pilsjes op hebben want toen mijn vriend en ik laat in de avond binnenkwamen was hij juist bezig zijn hart uit te storten. Het systeem deugde niet, de school als onderdeel van het systeem deugde ook niet, liefst had hij helemaal niets met de school te maken, en hij was ook naar de rector gegaan, hij had bij de rector een onderhoud aangevraagd – die laatste twee woorden sprak hij met neerbuigende ironie uit, trouwens, zijn hele litanie was doordrenkt van een zelfgenoegzaam soort dronkemanssuperioriteit – en hij had de rector tijdens dat onderhoud te verstaan gegeven dat hij alle banden tussen hem en de school wilde verbreken, behalve dan die ene, fysieke: hij wilde zijn lokaal behouden, hij had die plek nodig om met zijn leerlingen in discussie te gaan, ze tot mondige, bewuste volwassenen te maken, en daarom deed hij de rector nu dit voorstel: hij wilde zijn lokaal van de rector huren, voor het symbolische bedrag van één gulden per jaar. Dan ging hij in dat lokaal verder zijn eigen gang, los van alles en iedereen. Wel, wat zei de rector van dit voorstel?

«Scholten, je bent gek, ga weg.»

Dat was wat de rector op zijn voorstel te zeggen had, en Scholten droop af. Hij was het gevecht met het systeem tenminste aangegaan, wat kon hij nog meer doen?

Nu ikzelf de leeftijd van Scholten heb, en ook leraar Nederlands ben, nu bespeur ik bij mijzelf dezelfde onvrede met een schoolsysteem dat, vond ongetwijfeld ook Scholten, zij het om andere redenen, zijn leerlingen tekortdoet. Neem nou de Ghanese Jacob, weeskind, een jongen die in deze kroniek al eerder ter sprake is gekomen, over wie ik vaak heb gedacht dat hij beter op zijn plaats zou zijn op een zogenaamde zmok-school, een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen. Aardig om te noteren is dat hij en ik elkaar in de loop van het jaar zozeer nader zijn gekomen dat ik het nu jammer zou vinden als hij er niet meer was. Tegenwoordig pak ik Jacob vaak vast, ga achter hem staan en leg twee handen op zijn schouders of sla een arm om hem heen als hij naast mij staat – het is ongelooflijk hoe gevoelig de jongen daarvoor is, hij komt erdoor tot rust. In het begin van het jaar had hij daar waarschijnlijk niets van moeten hebben, maar nu hij merkt dat ik hem ondanks zijn vaak moeilijke gedrag toch graag mag en ook vaak om hem moet lachen, nu accepteert hij die aanrakingen wel, ja vindt ze zelfs prettig, terecht beschouwt hij ze als blijken van affectie. Laatst had ik een lekke band en Jacob heeft die toen geplakt en hij deed dat heel goed. Na afloop zei hij dat hij graag fietsenmaker wilde worden – voor het eerst dat ik van hem hoorde in welke richting hij het wilde zoeken. Omdat het bij ons op school ontbreekt aan een lokaal waar aan fietsen gesleuteld kan worden, en aan fietsen, had Jacob mij nooit eerder kunnen tonen dat hij handig is op dit gebied. Hij krijgt op school niet de kans te doen waar hij goed in is, moet allerlei andere dingen doen waar hij niet goed in is en dus een hekel aan heeft, waardoor hij zich raar gaat gedragen: liever de clown uithangen dan toegeven dat hij iets niet kan. Volgend jaar, in het derde jaar, krijgt Jacob negen uur praktijkles. Waarom is dit geen twintig uur? Jacob kan ook andere leerlingen leren banden te plakken, daarvan ben ik overtuigd. Wat zou het de jongen goed doen.

Ik heb het niet alleen over Jacob, ik heb het over alle leerlingen aan de onderkant van het vmbo. Die moet je niet lastigvallen met wat ze niet kunnen. Voor ieder afzonderlijk moet je een «traject op maat» uitstippelen, à la Jacob als fietsenmaker. Doe je dat, dan heb je minder last van spijbelen en, zo ver wil ik gaan, ook minder criminaliteit. Je geeft kinderen die grote beperkingen hebben immers iets om trots op te zijn. Directeuren zien dat niet want die hebben geen contact met leerlingen. Ik zie het wel. Ik zie hoe het anders kan, en moet. Net als Scholten.