Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

Hij deinst er niet voor terug docentes voor «kankerhoer» uit te maken, de vijftienjarige Antilliaanse Donald. Hij is een lange jongen, een van de grootste jongens van onze school – waar alleen nog eerste- en tweedeklassers zijn – en van alle leerlingen degene met de meest… hoe zal ik dit nu eens zeggen? Ik heb het over de blik in zijn ogen. Het is alsof zijn ogen van glas zijn, het is trouwens maar zelden dat hij je aankijkt, meestal kijkt hij weg, de kin trots geheven. Je hoeft de kop van die gozer maar te zien of de rillingen lopen je over de rug. Daar is iets behoorlijk mis gegaan.

Natuurlijk zegt hij het ze niet recht in het gezicht, die docentes, dat ’t kankerhoeren zijn, hij zegt dat als hij in zijn heilige verontwaardiging wegloopt, maar dan zegt hij het ook hard genoeg voor eenieder om het te horen, dan schreeuwt hij het de gang in: kankerhoer! Donald is snel boos, snel verontwaardigd, denkt snel dat hij onrechtvaardig behandeld wordt, of liever – want ik geloof eigenlijk niet dat hij dat werkelijk denkt, ik weet zeker dat hij heel goed weet dat wat hij doet niet deugt, maar hij houdt toch graag de schijn op: om de een of andere reden hecht hij aan de fictie van een schoon blazoen. Met andere woorden: Donald speelt altijd toneel. Hij weet dat hij fout zit maar hij doet alsof hij niets gedaan heeft, en doet vervolgens onmiddellijk alsof hij boos wordt, et cetera. Met dat toneelspel is hij de hele dag bezig.

Hij zit eigenlijk nooit in de les, hij loopt altijd over de gangen. Het Nieuwe Leren, het is bekend, heeft onze leerlingen een zekere vrijheid gegeven, en al zijn wij grotendeels op onze schreden teruggekeerd en hebben wij dat Nieuwe Leren, dat meer projectmatige onderwijs, teruggebracht tot een paar uur per week, een aantal leerlingen weigert de gewonnen vrijheid op te geven, en één van hen is Donald. Ik denk ook dat hij de klas waarin hij zit niet leuk vindt. Ik denk eigenlijk dat Donald niets leuk vindt.

Als ik hem weer eens voorbij mijn lokaal zie lopen, loop ik naar buiten en zeg: Donald, zou jij niet in de les moeten zitten? Zijn antwoord is dan meestal dat hij op weg is naar de les. Maar de les is al een half uur bezig Donald, waarom ben je zo laat? Hier kan Donald op twee manieren op reageren. Of hij raakt geïrriteerd omdat ik hem «controleer», en vertrouw ik hem soms niet? En dan loopt hij, aangedreven door zijn irritatie, door. Of hij verzint een smoes en mompelt het een en ander, zonder mij aan te kijken, terwijl hij doorloopt, al met al zorgvuldig de indruk wekkend dat hij voor dit soort beuzelarijen geen tijd heeft, hij is immers op weg naar de les. Doorlopen is kortom het devies, want naast mij blijven staan en mijn vragen beantwoorden, daar kan alleen maar ellende van komen.

Soms zeg ik: ik praat tegen je Donald, waarom loop je nu weg? Blijf eens even staan. Ook hier kan Donald op twee manieren op reageren, afhankelijk van zijn eerdere reactie. Als hij nog niet geïrriteerd was, raakt hij dat nu wel, begint gebaren te maken van wat wordt hij nu weer lastiggevallen en wat moet ik nou weer van hem, «ik ga gewoon naar de les jongen», en loopt door. Als hij al geïrriteerd was, raakt hij nu nóg geïrriteerder, en in al die irritatie vindt hij de rechtvaardiging om niet naar mij te luisteren en gewoon door te lopen.

Zo is Donald de meester van de vermoorde onschuld. Waar het om gaat, natuurlijk, is dat hij wil voorkomen dat ik hem al te lastige vragen ga stellen, zoals: waarom zit je nog niet in de les? Waarom loop je hier? Het eerste uur kan hij te laat komen maar het is toch wat raar om tijdens het vierde uur een half uur te laat te zijn en over de gangen te lopen. Wat heeft hij al die tijd gedaan, waar was hij?

Ik weet het wel, ik hoef het eigenlijk niet eens te vragen. Donald zit nooit in de les. Hij zit in de kantine, is buiten, loopt over de gangen, verschuilt zich in de toiletten, wat hij doet als hij een docent aan hoort komen. Het is dan ook de vraag wat hij überhaupt bij ons op school doet. Hij zat vorig jaar in een ander gebouw op een andere afdeling van ons overkoepelend vmbo, begin van het schooljaar kregen wij hem – met dank aan de collega’s die hem naar ons toe gestuurd hebben. Ook zij moeten gezien hebben dat met deze Donald op een reguliere school niets maar dan ook niets te beginnen valt, zij wilden hem dus kwijt, het makkelijkst was hem naar onze praktijkschool te sturen. Maar Donald is zelfs geen praktijkschoolleerling. Hij is, met die rare kaarsrechte houding van hem, die glazen ogen die toch altijd lijken te branden, dat wegkijken, een leerling voor wie de school, lees: de wereld, een jungle is waar het er alleen om gaat overeind te blijven, niet onder te doen voor anderen, te heersen over die anderen door ze bang te maken, en door niets, niets en niets van jezelf te laten zien of te geven.