Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

Ik geloof niet dat Kenny bij ons op school ooit gevochten heeft – voorwaar niet niets. Het is een bijna twee meter lange Surinaamse jongen van veertien jaar, en het is niet zo dat hij nooit ruzie heeft, maar bij hem draait het eenvoudigweg nooit op vechten uit. Tenminste, hij gebruikt zijn handen niet, hij ge bruikt zijn mond, taal is zijn belangrijkste wapen.

Maar het is ook geen vechtersbaas. Ik zou het raar vinden hem met dat lange, slungelige lichaam in gevecht te zien – met datzelfde lichaam kan hij niettemin aardig voetballen. Wel hoor je hem altijd, de hele dag door. Waar Kenny is, daar wordt gesproken, op nogal luide toon. Vorig jaar vond ik het een aardige en vooral spontane jongen, die weliswaar nogal luidruchtig was, die je nooit níet hoorde, maar toch. Hij leek van nature vrolijk, goedgemutst, en al kon hij het dan niet laten, dat stuk elastiek, altijd overal onmiddellijk op te rea geren en hoorde je hem dus altijd, wat in de klas wel eens lastig was, hij leek verder toch geen vlieg kwaad te doen.

Inmiddels denk ik daar ietwat anders over, inmiddels is Kenny misschien ook veranderd. Hij lijkt zijn macht nu te beseffen, lijkt inmiddels goed te weten dat hij ad rem is, altijd overal een antwoord op heeft en met zijn mond iedereen de baas kan. Vooral begin ik het hinderlijk te vinden dat hij anderen voortdurend uitlacht. De zwakkeren om hem heen moeten het ontgelden. Als zij ook maar iets durven zeggen is Kenny daar om ze, nogal cru, van repliek te dienen. Vorig jaar had hij die neiging toch minder.

Om het beeld van Kenny te completeren moet ook dit gezegd: dat de jongen altijd beweegt. Hij kan niet stilzitten, als hij moet stilzitten begint hij te praten, als hij begint te praten bewegen zijn armen mee, beweegt vaak ook zijn hele romp mee, want Kenny heeft die ritmische, staccato, ja explosieve manier van praten waarop een lichaam wel mee moet bewegen – zelfs ik, die met een zekere graagte naar Kenny kijkt en luistert, krijg de neiging te bewegen als ik hem hoor praten, en misschien beweeg ik zonder het zelf te beseffen ook wel mee. Als Kenny iets zegt, tegen de eveneens Surinaamse Marlon bijvoorbeeld, die in de klas slecht ligt, als hij bijvoorbeeld dit zegt: «Hee dzjonkie waarom kom je naar school?», dan zegt hij die woorden niet gewoon, maar dan spuugt hij ze uit – zinnen door Kenny uitgesproken, zelfs de vragen, zijn altijd beweringen met het vereiste aplomb gebracht. De beweringen zelf komen er uiteraard uit als beweringen in het kwadraat, beweringen als dat «je moeder een kontlikker is», of je vader een «groot hoofd» heeft. Ik noem nu maar wat, je kunt het zo gek niet bedenken of Kenny beweert het wel.

Waar hij ook goed in is, Kenny – en dan hou ik ermee op – is: in lachen uitbarsten. De taal is niet alleen zijn wapen, zijn lach is dat ook, en ook dat is hij inmiddels gaan beseffen, hij weet het zelfs iets te goed. En dus zie ik hem tegenwoordig te pas en te onpas in dat zogenaamde lachen van hem uitbarsten, zijn hele lichaam komt met een overdreven schok in beweging, hij gooit zijn hoofd in zijn nek, knijpt zijn ogen dicht en houdt zijn hand voor zijn mond – nu nog lacht hij geluidloos, maar dan komt het, langzaam buigt hij voorover en tijdens dat terug vooroverbuigen slaakt hij een kreet die op het begin van een schaterlach moet lijken – en aangezien zijn lachen vooral bedoeld is om metgezel David bij te staan, David die een onleuke opmerking ten koste van Sheila heeft gemaakt, begint hij ook nog met zijn handen op zijn knieën te slaan, of op de tafel, een paar keer snel achtereen, een roffel bedoeld als applaus. Nee, dit is geen lachen, dit is louter bedoeld om de band met David te versterken, om Sheila te vernederen, om beiden op te stoken. Een stoker, dat is Kenny tegenwoordig ook.

David en Sheila zijn allebei ook Surinaams. David, die mij altijd vraagt of hij mag kleuren, is een moeilijke jongen die meestal boos kijkt en die, om de aandacht van zijn niets-kunnen af te leiden, eigenzinnig, koppig en brutaal is. Hij is bovendien altijd in voor iets wat niet mag en voelt net als Kenny scherp aan wanneer iemand in het nauw is, bijvoorbeeld omdat die iemand iets stoms heeft gezegd, een fout antwoord, en zich plots op de rand van vernedering bevindt. Zo iemand geven David en Kenny graag het laatste duwtje.

Maar aan Sheila hebben ze dan toch de verkeerde. Zo lang en slungelig als Kenny is, zo klein en compact is Sheila, met ook nog dat babygezichtje – ze ziet er leuk maar bepaald ongevaarlijk uit. Totdat ik haar op zag staan en naar David toe zag lopen, om hem over die onleuke opmerking die haar moeder betrof terecht te wijzen – zo vloeiend, die stroom van woorden, en het ging maar door, David kromp ineen en werd zelfs daarna nog kleiner en kleiner. En zelfs Kenny, die naast David zat, zag ik zichzelf onbewust kleiner maken om minder op te vallen, en naarmate Sheila maar door- en doorging met het schijnbaar moeiteloos uitfoeteren van David zag ik het respect in Kenny’s blik zelfs veranderen in angst. Zijn mond hield hij dicht.