Bij ons school

Bij ons op de praktijkschool

Wat je als leraar de klas in gooit, komt altijd als een boemerang terug. In vorige jaren noemde ik mijn leerlingen wel eens apies, gewoon, omdat ze nog zo klein waren, die brugklassers, en omdat ik ze zo lief vond: «Kom op apies, even aan het werk nu.» Een ander woord dat ik in diezelfde tijd graag gebruikte was garnaaltje, wat ik ook als koosnaam bedoelde, hoewel er ook iets provocerends in zat, dat had dat apies toch minder. Het was in de tijd dat ik nog les gaf aan leerlingen die nog maar kort in Nederland waren, van wie ik wist dat ze niet wisten wat dat nu was, garnaaltje. Maar ik gebruikte het vooral graag omdat het zo’n aantrekkelijke dictie had, dat garnaaltje, dat ik half-schreeuwend uitsprak, de klemtoon zwaar, al te zwaar, op de eerste lettergreep: «Nee, Hicham, je bent geen Marokkaan, je bent een GÁRnaaltje.» En dan staarde de kleine Hicham mij met halfopen mond en lege blik stomverbaasd aan.

Natuurlijk duurde het nooit lang eer de leerlingen doorhadden wat dat GARnaaltje nu ei genlijk betekende, en, als ik het tegen hun mocht zeggen dan mochten zij het ook tegen mij zeggen, de meester geeft immers het goede voorbeeld, dus het duurde ook nooit lang eer ikzelf tot een GARnaaltje werd, waar de leerlingen dan veel plezier om hadden, en ikzelf ook, want mijn GARnaaltje uit hun mond terug te horen, verbas terd tot iets als KAnaaltje, ook dat vond ik leuk.

Inmiddels zijn er andere woorden die ikzelf, zou je kunnen zeggen, in de klas ten doop heb gehouden, in mijn eigen dictie, en die mij nu in diezelfde dictie achtervolgen. Zo heb ik een keer tegen Loubna gezegd, een klein, beweeglijk meisje met een luide, schorre stem, altijd nogal aanwezig, dat ik had gehoord dat haar vader een zjwérver was die onder de brug sliep – soms heeft Loubna zo’n grote mond, niet zozeer tegen mij alswel tegen haar klasgenoten, dat ik het nodig kan vinden haar op haar plaats te zetten, en natuurlijk, ik wist wel dat de hele klas dat leuk zou vinden, dat Loubna’s vader nu door mij een zjwerver werd genoemd. Iedereen lachen en Loubna verbaasd, een kort moment maar, dat haar leraar haar vader zomaar een zjwerver noemt, dat had ze niet verwacht, verontwaardigd ook even, even zie ik haar blik donker worden, de vrolijkheid eruit verdwijnen, iets gekwetsts nu in haar bruine ogen, hoe durf ik, Beekmans, haar vader… en dan onmiddellijk de tegenaanval met die schorre jongensstem van haar: «Je bent zelf een zjwerver meester, je slaapt zelf onder de brug.» Wat de klas dan ook weer leuk vindt.

Ik kan dat dan weer uitspelen, dat doe ik soms ook wel, door plots heilige verontwaardiging te veinzen, Loubna verbouwereerd aan te kijken en te stamelen: «Zeg jij zjwérver tegen de meester, Loubna…?»

Loubna, weer in de verdediging nu, maar niet uit het veld geslagen, met iets aarzelends toch, en met een stem die snel daalt – ze heeft het recht aan haar zijde: «Ja…» En dan toch nog daarachteraan: «Maar u noemt mijn vader ook een zjwerver!»

Inmiddels, dat zal duidelijk zijn, ben ik voor een paar leerlingen van de klas van Loubna voortdurend een zjwerver, slingeren ze het mij toe als ze mij in de gang tegenkomen, het zijn de jongens met het minste gevoel voor proportie, die geen maat weten te houden, niet beseffen dat het grapje een grapje is en dat het soms tijd is voor grappenmakerij en soms niet, echte praktijkschoolleerlingen, aardige jongens toch, die aandacht willen. De leerlingen in mijn eigen klas, de klas waarvan ik mentor ben, noemen elkaar inmiddels ook allemaal zjwerver, en het is beter, zeg ik tegen mezelf, dan kanker allochtoon of teringturk, hoewel ze die woorden als ze kwaad zijn toch ook nog gebruiken.

Ik voel me altijd schuldig bij dit soort dingen, ik zou die kinderen toch niet moet leren elkaar zjwerver te noemen, maar ik heb mezelf in zaken van taal niet altijd in de hand, ik kan het niet laten, en het is eigenlijk alleen maar dat ik graag zjwerver zeg omdat ik het woord zo graag uitspreek, op die manier ook, met die j na de z, zodat het een soort slissende z wordt, zjuh. Ik heb dat eigenlijk van de Marokkaanse kinderen overgenomen, want die gebruiken weliswaar niet zo’n zachte z maar wel een slissende s, die gaan niet naar school maar naar sjchool, die bedreigen elkaar graag met een pak sjlaag, ook sjlopen ze elkaar graag. Gevraagd naar zijn hobby’s, schrijf die eens op Khalid, schreef de dikke Khalid: «Mensen slopen.» Maar hij spreekt het dus uit als sjlopen.

Ik kan die s inmiddels ook niet meer normaal zeggen, hoewel ik de leerlingen wel blijf corrigeren. «Het is geen sjchool Mohammed, dat heb ik al twintig keer gezegd. Je moet Nederlands praten, niet dat rare taaltje.» Zelf pik ik alleen de dingen eruit die mij bevallen, een pak sjlaag en sjlopen zal ik voorlopig niet meer normaal uitspreken, en zjwerver, wat mijn eigen vondst is, ook niet.

Soms praten we over school, vraag ik de leerlingen of ze dit een goede school vinden, tegenwoordig zeggen ze dat dit «een school voor zjwervers» is. Vroeger was onze school een mongolenschool, misschien is zjwervers ook hier een verbetering. Lang heb ik gedacht dat in dit soort uitspraken hun gevoel van eigenwaarde zich weerspiegelde, tegenwoordig denk ik dat ze er ook iets over de school mee zeggen.