Bij ons op de praktijkschool

Bij ons op de praktijkschool (1)

Het is de eerste schoolweek, na een lange zomervakantie. En er is nog niets veranderd. Ik ben vermoedelijk niet veranderd, de leerlingen zijn niets veranderd, de directie is nog hetzelfde, en dus gaat alles nog op dezelfde manier. Eén ding is wél veranderd: we zitten in een ander gebouw. We zitten met onze praktijkschool nu niet meer in De Pijp maar in Amsterdam-West, dicht bij het hoofdgebouw van onze grote, zwarte school voor vmbo.

Dus moesten we verhuizen, en dat roept herinneringen op aan vorig jaar, toen we begonnen met de praktijkschool. Toen vestigden we ons in De Pijp, in een gebouw dat leeg stond, omdat het wel wat had, een apart schoolgebouw voor een praktijkschool, voor kinderen voor wie het vmbo te hoog gegrepen was, en van wie er steeds meer leken te komen, een school nog praktijkgerichter dan het beroepsonderwijs.

Vorig jaar begonnen we met vrijwel niets, zonder materialen of enig gereedschap, met lege lokalen. Het enige wat we hadden waren boeken die voor vmbo-leerlingen bestemd waren. Nu beginnen we weer met niets, want alles wat we vorig jaar hebben verzameld, de juiste boeken en allerlei materialen waarmee de kinderen kunnen werken, met hun handen, de tafels waaraan die kinderen kunnen werken, dat alles is nog niet verhuisd. Het staat allemaal nog in dozen of met verhuisetiketten beplakt in dat oude gebouw, al een zomer vakantie lang.

Je wordt er een beetje zenuwachtig van. Deze eerste week doen we dingen met de leerlingen buiten school – een zo mager programmaatje dat ik er niet eens over dúrf te schrijven – en hebben we al die spullen nog niet echt nodig, maar volgende week moeten we toch echt aan de bak, in de klas, en dan is het handig als alles er is. Ik weet zeker: dan is het meeste er ook wel. Maar het was prettig geweest als het er iets eerder was geweest, zodat we al die uren dat we deze week níets met de leerlingen doen, ongeveer de helft van de tijd, konden besteden aan het inrichten van lokalen, het klaarleggen van dingen, het voorbereiden van lessen. Dat moet nu allemaal weer wat gehaast.

Nu is weer beginnen na zo’n lange vakantie toch al ietwat beladen. Het is weer een nieuw begin, met – voor een deel – nieuwe leerlingen, met nieuwe klassen. Mijn collega’s en ik, we weten inmiddels heel goed dat onze leerlingen de makkelijksten niet zijn. Dus willen we goed beginnen. Dus willen we dat begin goed voorbereiden. Daar loopt het nu spaak.

Ik schreef al eens eerder dat scholen doordrenkt zijn van angst, dat er maar weinig handelingen zijn die niet bedoeld zijn om angst af te weren. De angst dat het een puinhoop wordt in de klas bijvoorbeeld. De angst voor leerlingen af te gaan. En de angst voor collega’s af te gaan. Eigenlijk is een school een organisatie die voortdurend in een toestand van stress verkeert, en daarbij hoort een aantal eenvoudig te signaleren kenmerken, zoals: klagen, de schuld bij anderen leggen (bij collega’s, meestal bij de directie), roddelen, afstand van alles nemen (bij leraren heet het dan dat ze zich «in hun lokaal terugtrekken»), onder het eigen kunnen functioneren of juist alles overdreven goed willen doen. Ik ben alle kenmerken deze eerste schoolweek al weer tegengekomen, niet alleen bij anderen, ook bij mezelf. De neiging alles nu eens perfect voor te bereiden, die al na twee dagen strandt in een we-zullen-wel-zien-houding, die, aan de oppervlakte althans, meer rust geeft, zeker in deze omstandigheden.

Vorig jaar stapte ik er heel wat makkelijker in, als «directeur» – zo althans interpreteerde ik de taak van toezien op de rust en orde in het gebouw, waarmee ik was belast. In ieder geval gaf ik geen les, alleen ter vervanging. Dit jaar moet ikzelf weer volledig aan de bak, en de leerlingen hebben dat uiteraard gemerkt, ik ben nu ook mentor van een klas. «Dus u bent geen directeur meer!» riepen ze onmiddellijk. Sommigen keken me grijnzend aan, met leedvermaak om mijn kennelijke val, anderen leken het eerder zielig voor mij te vinden. Zelf ben ik wel blij, laat mij maar weer lesgeven – maar dus ook wel wat nerveus.

Het lesgeven begint volgende week. We gaan het volhouden tot aan de herfstvakantie, het klassieke lesgeven in klassen, met boeken, met een lesrooster. Zoals ik voor de zomer vakantie al schreef, na de herfst gooien we dat allemaal weg, boeken en rooster en klasse-verband en gaan we projectmatig werken, kleine groepjes leerlingen die aan eigen projecten werken die gestalte in de buitenwereld, buiten school, moeten krijgen. Het gaat allemaal heel anders worden, ons hele onderwijs gaat op de schop. Ik zie ernaar uit.