Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (10)

De Antilliaanse Judith, die niet snapt waarom ze met iedereen ruzie heeft en dagelijks komt klagen, wijst nu naar Rishino, ook Antilliaans. «Meester, Rishino pest mij, kunt u tegen hem zeggen dat…»

Ik beken: ik hoor het al bijna niet meer. Het is iedere dag hetzelfde liedje. Die doet dit, die doet dat, en of ik ervoor kan zorgen dat die en die ermee ophouden dit en dat te doen. Het is ons docenten tot nog toe niet gelukt de dertienjarige Judith eens naar haar eigen, vaak provocerende gedrag te laten kijken, dan zou ze misschien snappen dat… Ik kan deze zin niet eens meer afmaken, ik word er doodmoe van.

Maar vandaag gebeurt er iets anders. Vandaag komt Judith met een klacht over Rishino, en ze is nog bezig uit te leggen wat er aan de hand is als ook Rishino met een verhit gezicht mijn kamer binnen komt lopen, hoort wat Judith over hem zegt, en haar tot mijn stomme verbazing onmiddellijk een klap geeft, een stevige stomp tegen haar borst.

«Wat doe jij nou», roep ik tegen Rishino. Ik stuur Judith weg, zeg tegen Rishino dat hij moet gaan zitten, en bel meteen zijn moeder. Ik zeg tegen haar dat ik Rishino voor de rest van de dag schors, dat hij voor mijn ogen een andere leerling slaat, dat hij moet weten dat slaan niet kan, dat ik dat nooit en nooit meer wil zien.

Is het omdat het de laatste dag voor de krokusvakantie is dat ik zo moe ben en zo snel geïrriteerd? Of is het iets anders? Moeder begint haar zoon nota bene te verdedigen, ze wil wel eens weten wat dat meisje gedaan heeft dat haar zoon zo boos op haar is, ze wil zíjn verhaal wel eens horen. Ik kan mijn oren bijna niet geloven. Ik probeer hier een omgeving te creëren waar niet geslagen wordt, en die moeder valt mij af! Alsof Rishino een goede reden zou kunnen hebben Judith te slaan.

Met de irritatie duidelijk hoorbaar in mijn stem leg ik moeder uit wat ik de leerlingen al honderd keer heb uitgelegd: dat wát iemand ook zegt of doet, dat dat nooit een reden is om te slaan, dat ze altijd naar mij toe kunnen komen, dat die ándere leerling die ze pest, uitscheldt of slaat dan een probleem heeft, en niet zij. Maar Rishino heeft toch het recht, aldus moeder, zich te verdedigen?

«En u blijft Rishino verdedigen, mevrouw? Terwijl ik hem, en u, probeer duidelijk te maken dat slaan op school niet gewenst is, dat ruzies hier zo niet opgelost worden? U zat hier vorige week zelf nog op school met de klacht dat Rishino door een leraar was geslagen. En nu vindt u het wel goed dat hij andere leerlingen slaat?»

Dat mevrouw op school kwam, ben ik nog niet vergeten. Een leraar had Rishino geslagen, en of dat normaal was hier? Nee, dat was niet normaal, en ik zou het uitzoeken, en ik beloofde haar dat het niet nog een keer zou gebeuren. Het bleek dat Rishino wel een flinke duw had gekregen, blijf nou eens zitten!, maar daar had-ie het dan ook helemaal naar gemaakt. Het kereltje beweegt voortdurend, en roept met zijn heldere, doordringende stem ook voort durend door de klas, en ja, dat wordt je wel eens teveel. Maar je staat toch zwak op zo’n moment. Je moet van leerlingen afblijven.

Rishino’s moeder wilde ook zijn mentor nog spreken, een Surinaamse van middelbare leeftijd voor wie de leerlingen misschien niet sidderen maar toch een groot respect hebben, de beste docent van onze praktijkschool. Na het gesprek vertelt mijn collega me dat ze het erg irritant vindt dat Rishino’s moeder komt klagen en dat ze haar eens flink de waarheid heeft gezegd, dat het kereltje onuitstaanbaar is en dat zijzelf ook vaak de neiging heeft hem een klap te verkopen, dat-ie daar om vraagt, en dat zij nu alsjeblieft niet moeten zeuren als een leraar hem terug op zijn stoel duwt, had-ie daar maar moeten blijven zitten.

«Hoe reageerde die moeder daarop?» vraag ik, geïmponeerd. Mijn collega lacht. «Hoe had ze daarop moeten reageren? Ze moet bij mij niet met die praatjes aankomen, laat ze haar zoon eerst eens opvoeden. Kom op zeg!»

Ik denk: kijk, daar kan ik nog wat van leren. En ik besef, een week later, als ik Rishino’s moeder aan de telefoon heb, dat ik misschien bezig ben mijn eigen formele en zelfs laffe opstelling te wreken. Want ben ik niet daarom nu zo hard tegen haar, en zelfs geïrriteerd? Omdat ik eerder zo meegaand was? Heb ik ook daarom nu geen enkel geduld met Rishino, omdat het kereltje als het ware nog wat van mij te goed heeft? Ben ik de rekening aan het vereffenen?

Ik ben bang van wel.