Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (12)

Vandaag stuur ik de leerlingen van P2 zonder pardon naar huis — en, eerlijk gezegd, daaraan doe ik heel verkeerd. Als ik voordat het eerste uur begint, de leerlingen druppelen nog binnen, snel nog even de klas uit loop om een boek bij een collega te halen, in het aangrenzende lokaal, hoor ik plots een hoop kabaal. Als ik terugkom zie ik dat vijf, zes stoelen zijn omgegooid. De meeste leerlingen staan nog naast hun bank en als ik vraag wie dat gedaan heeft, kijken ze allemaal schuldbewust maar is er niemand die iets zegt. Ik vraag een paar leerlingen of zij het gedaan hebben, maar zij hebben het natuurlijk niet gedaan. Ik vraag wie iets gezien heeft, niemand heeft iets gezien. Wegwezen jullie, zeg ik, opdonderen, naar huis, hier heb ik geen zin in.

Het is nog niet zo eenvoudig ze weg te krijgen, ze protesteren. U kunt ons toch niet dwingen iemand te verraden? Daar zit iets in, maar ik heb nu eenmaal gezegd dat ze weg moeten en ik wil daar niet op terugkomen, en dus zeg ik dat dit geen verraden is, dat we een school zijn waar iedereen zich hoort te gedragen, dat als iemand zich misdraagt en er zijn er vijftien die dat gezien hebben, die vijftien de plicht hebben mij antwoord te geven als ik navraag doe. De eerste plicht heeft de dader zelf, maar als hij zwijgt, moeten anderen spreken. Dat het verraad aan de school is om dan niets te zeggen. Ik ben er goed in, altijd geweest, dingen naar mezelf toe te redeneren.

De meeste leerlingen — ze zijn nog maar dertien — druipen nu af, sommigen protesteren nog, maar het klinkt al zwakker. Waarom moeten ze weg als ze niets misdaan hebben? Ik zeg dat ik net heb geprobeerd uit te leggen dat ze ook iets hebben misdaan als ze niets tegen mij willen zeggen — en ook met andere argumenten maak ik korte metten. Tegen mijn redeneren kunnen deze beperkte leerlingen niet op, tegen mijn dreigementen evenmin, en binnen vijf minuten zijn ze het gebouw uit, al blijven ze nog enige tijd voor de poort hangen.

Dit kan ik niet maken, denk ik, terwijl ik naar een andere klas loop, die vandaag net als P2 zonder leraar zit. Want vandaag zijn er twee zieken, en dat is er één te veel. Ik die hier voor directeur speel en officieel geen les geef, kan een dag lang één klas opvangen, maar twee klassen zonder leraar is er één te veel. Die tweede klas is een probleem — ook daarom heb ik P2 zo rücksichtslos weggestuurd: een dag lang een probleem minder. Hun alloch tone ouders, zo is het ook weer, zullen toch niet klagen.

Op normale scholen hebben docenten gaten in hun rooster, zogenoemde tussenuren, waarop zij zich beschikbaar moeten houden voor vervanging van zieke collega’s. Iedereen heeft één à twee van die uren. Maar mijn collega’s hebben aaneengesloten roosters. Wij beschikken niet, althans niet iedere dag, over vervangers. Wij hebben de duurste leerlingen van de hele school, leerlingen waarvoor de school het meest betaald krijgt, twee keer zo veel als andere leerlingen, maar wij, van de afdeling die de praktijkschool heet, hebben de minste middelen toegewezen gekregen. Een ferme uitspraak, ik weet het, maar ik geloof toch niet dat ik de plank mis sla. Schoolpolitiek.

Geef ik dus de directie de schuld van wat toch mijn eigen beslissing is geweest — die klas zo pardoes al het eerste uur naar huis sturen? Had de directie maar voor vervangers moeten zorgen? Praktijkschoolleerlingen betalen daar bij wijze van spreken toch genoeg voor? Zeker is dat ik me, niet alleen door die tweede zieke maar ook door de schaarse middelen, in het nauw gebracht voel.

Maar zo gemakkelijk kom ik toch niet weg. Ik blijf mezelf de schuld geven want ik weet te goed wat ik fout heb gedaan. Wat precies? Laat ik het eens zeggen met een paar regels uit The Merchant of Venice, regels over «genade» die ik ooit heb overgeschreven en die bij mij thuis aan de muur hangen, en die ik bij deze graag doorgeef, je bent schoolmeester of je bent het niet:

It droppeth as gentle rain from heaven

Upon the place beneath: it is twice blest

It blesseth him that gives and him that takes

En even later zegt Shakespeare er nog over:

It is an attribute to God himself

And earthly power doth then show likest God’s

When mercy seasons justice

Kun je nog van gerechtigheid spreken als je een hele klas zonder aanzien des persoons voor straf naar huis stuurt? Eigenlijk niet, maar als we aannemen van wel dan is het genadeloze gerechtigheid geweest. Terwijl ik die kinderen noch mezelf de zegeningen van de genade had moeten onthouden — it is twice blest. Ik had het anders moeten doen.