Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (12)

«Dus jij bent de eerste die het zinkende schip verlaat.» Ik zeg het tegen Raymond de Mortier, onze teamleider, op het moment dat ik van hem hoor dat hij elders, op een andere praktijkschool, directeur wordt. Zo langzaamaan begint alles erop te wijzen dat ons Nieuwe Leren, ons projectmatig ingerichte onderwijs dat wij anderhalve maand geleden zo enthousiast hebben ingezet, op een fiasco dreigt uit te lopen – als het niet al een fiasco is. Ik heb me daar de afgelopen weken nogal druk om gemaakt, niet alleen op deze pagina, ook op school, en Raymond zei toen tegen mij dat ik het allemaal niet zo zwaar moest opnemen. Nu begrijp ik dat hij dat tegen mij zei op het moment dat hij bezig was elders te solliciteren.

Ja, het is gemeen wat ik nu schrijf, en zo is het ook bedoeld – en toch verdient Raymond de Mortier dat niet. Ik heb ruim een jaar lang met hem samengewerkt en had graag nog veel langer met hem samen willen werken – de lezer begrijpt nu ook waar bovenstaande gemene opmerking vandaan komt. Ja, ik vind het jammer dat hij weggaat. Hij is de eerste die het zinkende schip verlaat, hij is ook de beste, of één van de besten – collega’s immers, docenten, laten zich even moeilijk met elkaar vergelijken als appels en peren.

Hij zegt: «Ik heb voor mezelf gekozen.» En ik begrijp dat. En hij heeft daar goed aan gedaan.

Straks het antwoord op de vraag waarom voor Raymond de Mortier de noodzaak daar was voor zichzelf te kiezen. Eerst iets meer over de man zelf. Hij is voor in de veertig, een grote man die het liefst op een fiets zit – en, zeg ik er direct bij, dat heeft iets autistisch, dat zo graag op een fiets willen zitten. Datzelfde autisme ontwaar je in zijn liefde voor de anekdote – nog nooit heb ik iemand ontmoet met een zo groot reservoir aan anekdotes, het is letterlijk onuitputtelijk, moeiteloos stapt hij van de ene op de andere anekdote over, hij kan urenlang blijven vertellen. Hij doet dat niet altijd, dat zeg ik niet, dan zou ik een krankzinnige van hem maken, maar hij zou het wel kunnen, niet alleen urenlang maar zelfs dagenlang.

Raymond, de man op de fiets, de man van de anekdote, heeft iets van de mens uit één stuk. Hij vaart op eigen kompas, hij durft dat ook. Het zit er bij hem eenvoudig niet in zich te laten leiden door een principe als «aardig gevonden willen worden» – misschien omdat er geen kwaad in hem zit. Zeker, hij is in staat zich op te winden en zich boos te maken, maar nooit zal hij anderen willens en wetens schade toebrengen, en zeker niet achter hun rug om, door kwaad over ze te spreken. Het gaat Raymond altijd om de zaak zelf, rechtvaardigheid dunkt mij een van zijn leidende principes. Onrecht, daar kan hij slecht tegen.

Vaak ben ik er getuige van geweest hoe hij onze leerlingen een uitbrander gaf, meisjes bijvoorbeeld die met elkaar hadden afgesproken dat ze die en die, die in hun ogen een dief was, na school samen zouden «pakken». Dat lafhartige samenzweren tegen een enkeling die zich moeilijk kon verweren, daar had hij geen geduld mee, en de meisjes zouden dat weten ook. Het pak ransel dat hij ze dan gaf, ik stond ervan te kijken: eerst liet hij ze voelen wat het voor die enkeling betekende om die groep tegenover zich te hebben («En als ik jóu nou eens… samen met meester Beekmans… als wij jou nou eens de hele dag een dief gingen noemen, en de kinderen gingen opstoken, die Ouafa is een dief, die pakken we na school… hoe zou jij je dan voelen? Nou? Waarom zeg je nou niks? Nou?») om ze vervolgens met dreigementen om de oren te slaan, dat als ze ook maar een hand naar die en die zouden uitsteken, als wij ook maar iets van die en die zouden horen, dan werden ze geschorst, dan ging er een brief naar de ouders, naar de directie, naar de leerplichtambtenaar, die brief kwam in het dossier… et cetera. Het hielp vaak heel goed.

Maar Raymond was ook nog teamleider, een taak waaraan hij nauwelijks toekwam omdat hij er van de directie geen tijd voor kreeg. Ik weet zeker dat hij voor ons even goed had willen zorgen als voor onze leerlingen. Zo kreeg hij van de directie wel vaker nul op het rekest. Voor mij, als docent, is het al frustrerend om te zien wat er aan onze organisatie schort, en dat is heel wat. Raymond, die in de positie zat bij de directie te vrágen om computers in de lokalen, ja om wat dan ook, moet er gek van geworden zijn, zozeer dat hij uiteindelijk maar besloot «voor zichzelf te kiezen».

Dan moet je zo iemand, met zo’n karakter, besef ik nu pas, toch wel ver gedreven hebben. Het is doodzonde. Ik troost me met de gedachte dat die andere praktijkschoolleerlingen, op die andere school, zich geen betere directeur hadden kunnen wensen.