Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (14)

De Irakese Salah wordt er niet uitgestuurd maar loopt zelf de les uit. De frustratie, de woede en de onmacht staan te lezen in zijn ogen — hij heeft het aan de stok met de Antilliaanse Judith. En voor Judith is hij geen partij.

Salah, een gevoelige jongen, op dit soort momenten staan de tranen in zijn ogen, heeft het lichaam van een bouwvakkerszoon, met op zijn dertiende al die grove knuisten, die dikke neus en die zware wenkbrauwen in dat grove gezicht. En dat middeleeuwse kapsel: Judith is oneindig veel subtieler dan hij, hij zal het altijd, altijd van haar verliezen.

Maar ik ben blij dat hij naar mij toe gekomen is, en niet in de les buiten zichzelf is geraakt. Als hij enigszins gekalmeerd is, vraag ik hem het nu eens allemaal voor mij op te schrijven, wat is er nu precies gebeurd, Salah? Dan praten wij daar straks over.

«het is vanochtend niet zo goed gegaan. ik ben de klas binen gekomen en en ze lacht zomaar en ik zeg wat lach je ze zegt om jou ja en ik zei tegen haar ik ken je niet je moet niet om mij lachen en toen ben ik stil geworden en dan later na de pauze net lachde ze weer en keek naar mij en ik zij ik ken je niet maar dan gin ze door met lachen en ik ben uit de klas gekomen».

Niet veel later is het de Surinaamse Martin, uit dezelfde klas, die het slachtoffer van Judith is geworden. Hij is een stuk kleiner dan zij, een lieve jongen om te zien. Hij is er door de juf uitgestuurd en komt mijn kamer binnen met een schuldbewust maar ook koppig gezicht — hij weet wel dat hij fout is geweest maar vindt eigenlijk dat hem groot onrecht is aangedaan, dat híj weer de schuld heeft gekregen. Alles mag nu over hem heen komen, die houding heeft hij, want het interesseert hem niet meer, ze moeten toch altijd hém hebben.

«ik deet its met me hand naar jesica

en judit zegt dat ik tegen jesica

zeg mak der af

toen deet ik niets

en ze gingen door

ik hat de stoel bijna op der gegooit

toen zei jufvrouw

ik krijg straaf

en toen moes ik naar buiten».

«Iets met zijn hand» blijkt bij navraag een slaande beweging te zijn geweest met zijn vuist in zijn handpalm — «straks krijg je een pak slaag» — en ik begrijp dat Judith slim genoeg was om de juf daar onmiddellijk op te attenderen: kijk eens juf, wat Martin doet, hij bedreigt Jessica! Ja, en daar had Martin even niet van terug.

In de tweede pauze, die relatief lang duurt, een half uur, honderd kinderen die zich verspreiden over kantine en schoolplein, komt Judith weer klagen dat die dit zegt tegen haar en die dat, en dat die haar slaat en die haar schopt en weer een ander haar bedreigt. Dus zeg ik tegen Judith, ga even zitten, ik wil even met je praten, vertel eens hoe het met je is. Ze begint zelf over haar vader te praten, dat ze een aanklacht tegen hem heeft ingediend omdat hij haar en haar moeder heeft bedreigd, en dat ze bang is dat hij op school zal komen, en misschien, oppert ze zelf, dat ze daarom zo druk is en zo veel ruzie heeft. Ik knik, ik ken vader, ik ken moeder, ik ken de verhalen, wat Judith nu zegt komt niet onaannemelijk over — al klinkt het me ook in de oren als een goed excuus, handig om nu te zeggen.

Ze zou eens moeten ophouden te provoceren, ja zich überhaupt met anderen te bemoeien, maar dat heb ik al twintig keer tegen haar gezegd en dat helpt dus niet — in plaats daarvan hoor ik mezelf zeggen dat het me een goed idee lijkt dat ze voorlopig in de pauzes bij mij in de buurt blijft, in de kantine, dus niet het schoolplein op, uit het zicht. Het is een rare maatregel en ik verbaas mezelf: begin ik dan echt voor Judiths lot te vrezen?

Feit is dat ik niet weet hoe ik haar tegen haarzelf kan beschermen. Ik heb de afgelopen dagen gemerkt dat niet alleen veel van haar klasgenoten maar bijvoorbeeld ook alle jongens, een stuk of twaalf, van een heel andere klas, P1, inmiddels een bloed hekel aan Judith hebben, ze komen bij me en zeggen: mees ter, als Judith zo doorgaat, ik ga haar slaan hoor, en het is aan hun gezichten te zien dat ze het menen, dat ze het gehád hebben met haar. En het beangstigt me, het gemak waarmee ik me kan voorstellen, me ook voorstel, dat straks een horde getergde kinderen Judith in een verlaten hoek van ons onoverzichtelijke schoolplein doodtrapt.