Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (14)

Ik heb lang gedacht dat we de Ghanese Jacob wel op school konden houden. Sinds vandaag denk ik er anders over. Vandaag begon het met een, excusez le mot, knetterende scheet, die achteraf inderdaad het startschot bleek te zijn voor een moeizame dag met Jacob.

Misschien herinnert de lezer zich dat de politie deze nu veertienjarige Jacob vorig jaar in een container aantrof, waar hij al enige tijd sliep, langer dan een paar dagen. Hij kwam nog altijd op school, op tijd ook – volgens de politie had hij ook een wekkertje in die container. Zijn tante bleek hem zonder pardon het huis uit te hebben gezet, door Jacob tot razernij gedreven.

Waar zijn zijn ouders? Volgens mij is er nog altijd niemand die het weet, behalve waarschijnlijk die tante, die er niks over zegt. Wij weten dat Jacob hier op de basisschool heeft gezeten, maar wij weten niet of hij hier of in Ghana is geboren, hoe lang hij hier al woont. Nadat de politie hem in die container ontdekte kon hij bij pleegouders terecht, in de crisisopvang. Na drie maanden waren ook die mensen, vol goede bedoelingen, uitgeput, wanhopig.

Jacob is ook geen jongen die al te dicht op anderen moet leven. Hij kan daar niet tegen. Zo’n pleeggezin, een man en een vrouw vol liefdevolle aandacht voor hem, is beklemmend voor Jacob. Hij liet niets maar dan ook niets over zichzelf los, zat dan maar wat te lachen, en stal spullen uit de kamer van hun oudste zoon, die in het buitenland woonde.

Inmiddels woont Jacob in een door een stichting beheerd huis waar nog vier of vijf jongeren wonen, hij heeft er zijn eigen kamer, type studentenkamer, en er is een gemeenschappelijke ruimte. Eten, slapen, alles gebeurt er onder een mild soort toezicht, het heet «begeleid wonen». Ik ben er eens gaan kijken, Jacob was er ook en nogal verlegen onder mijn bezoek, maar ik had het gevoel dat hij zich er prettig voelde. Er was een zekere afstand tot de begeleiders die hem wel lag.

Nu kan Jacob ook daar niet blijven, hij zit daar nu bijna een jaar en eigenlijk al te lang, ook dit adres was maar tijdelijk, zoals dat heet. Het wordt hoog tijd, vinden alle hulpverleners, de jongen meer vastheid te bieden, zekerheid. Weggestuurd worden is volgens deze hulpverleners zozeer «bekend terrein» voor Jacob dat hij een dergelijke situatie telkens weer tracht te creëren, onbewust uiteraard. Men zou dat patroon graag doorbroken zien.

Voor de theorie valt wat te zeggen. Ook op school heeft hij ons zo ver dat wij genoeg van hem beginnen te krijgen. Ik in ieder geval stuur hem de klas uit als hij zo nadrukkelijk, opzettelijk, een zo harde wind laat en er dan nog zelf om begint te lachen ook. Het is al moeilijk genoeg de orde te bewaren. «Ga maar in de kantine werken Jacob en kom aan het eind van het uur terug.» «Maar puffen is toch gezond meester?» «Ja, maar dat kan je ook in de wc doen, dat hoeft niet in de klas.»

De rest van de dag blijft hij irritant. Ik hoor hem van achter in de klas een paar keer zacht homo zeggen, en als ik het hoor, hoort de Marokkaanse Majid die vlak voor mij zit het ook, Majid, die op mij ook de indruk maakt homo te zijn. Niet veel later schrijft Jacob, als ik met twee leerlingen bezig ben, fuck K op het bord, heel klein – niet klein genoeg toch voor de dikke Khalid het op zeker moment op te merken. Hij ontploft onmiddellijk, denkt dat de kleine Turk Ersin het gedaan heeft, geeft Ersin een klap. Ersin verweert zich, puinhoop in de klas, Jacob lachen. Vlak voor de middagpauze zie ik hem naar de Marokkaanse Hakima en Nabila lopen en naar Iris wijzen, die even naast Ben is gaan zitten, om hem ergens mee te helpen. Ik begrijp dat Jacob bedoelt, stokerig: kijk, Iris en Ben zitten naast elkaar. Iris is een Nederlands meisje dat zich niet goed kan verweren, Ben een lieve Surinaamse jongen, en ik ben wel blij dat die twee contact met elkaar beginnen te krijgen, ze staan beiden alleen in deze klas. Het laatste wat ik nodig heb is dat de goedgebekte Hakima en Nabila deze eerste schuwe toenaderingspogingen met harde opmerkingen de kop in drukken. Na de pauze komen een paar eersteklassers bij mij klagen dat Jacob op hun in het rek geparkeerde fiets heeft gezeten en dat er nu een «bochel» in het wiel zit. Jacob ontkent uiteraard, maar velen hebben hem gezien. Hoewel hij niet agressief is, is hij aan het eind van de dag toch in een vechtpartij met een van deze jochies verwikkeld. Praten over dat soort dingen lukt nauwelijks met hem. Hij wordt óf heel boos en loopt weg, óf blijft dom zitten lachen.

Ik zie nu ook dat dit geen jongen is voor onze school. Als zijn hele gedrag een vraag is, zoals hulpverleners het lijken te zien – hoort hij er nu wel of niet onvoorwaardelijk bij? – dan vrees ik dat de school hier nee op moet antwoorden. Na tante en het pleeggezin nu ook wij, ja. Wat spijtig is, want Jacob was ook een leuke, vrolijke jongen die hard kon werken.