Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (17)

Brian heeft zich gisteren niet gemeld voor de strafklas — donderdagmiddag van half drie tot half vijf strafwerk maken. Brian moest er naartoe omdat hij op het schoolplein een leeg blikje naar een andere leerling had gegooid. We willen niet dat de leerlingen elkaar met blikjes bekogelen, hoezeer het voor hen ook spel is. De conciërge, die Brian betrapte, riep onmiddellijk: «Ja! Brian! Donderdagmiddag strafklas!»

De Surinaamse Brian, die bij kritiek al snel boos wordt, kan er al helemaal niet tegen zo toegeschreeuwd te worden. «Wat nou strafklas jongen, ik ga niet, waarom jongen, donder op!» Op zijn beurt, zo toegesproken, raakt de conciërge dan weer gebeten op Brian, en wil hij hem donderdagmiddag zeker in die strafklas zien zitten.

Maar Brian glipt de school uit en komt niet opdagen — ik had niet anders verwacht. En de volgende dag fiets ik naar school met het onaangename vooruitzicht de moeilijkheden met Brian te moeten oplossen. Hij zal nog boos zijn, weet ik, wil ongetwijfeld niet eens práten, met niemand, en wat moet ik dan? Ik zie het al voor me: Brian die zich van mij afkeert, ik die alleen nog maar kan zeggen: maar je mag niet in de les Brian als je nu niet naar me luistert, ik wil nu even met je praten, als je dat weigert maak je het probleem alleen maar groter, straks moet ik je nog schorsen…

«Schors mij dan maar! Stuur mij maar naar huis jongen! Kan me niet schelen! Ik ga niet in de strafklas! Wat is dit voor school!»

En zo gaat het precies. Brian zit in de kantine in afwachting van het begin van de lessen, en kijkt mee met een paar leerlingen die Mens-erger-je-niet spelen, hij is onaanspreekbaar, nog altijd boos. Ik kan tegen hem praten wat ik wil, mee naar mijn kamer gaat hij niet. Ik laat hem maar even, en na vijf minuten probeer ik het nog een keer. Tot mijn verbazing zeggen sommige van de leerlingen die om ons heen zijn: ga nou mee Brian, maar op Brian maakt dat evenmin veel indruk. De idee dat het iets gênants heeft dat ik, de «directeur», zo’n jongen bijna moet smeken om mee te komen — en dat andere kinderen dat horen — ben ik gelukkig kwijt. In het begin van het jaar had ik daar wel last van, als ik Brian, weer eens in een onhandelbare bui, bij een docent uit de klas moest halen. Maar nu niet meer. Brian, daar heb ik vrede mee, is een geval apart, Brian behandel ik zoals Brian behandeld moet worden. Het is de enige manier om toegang tot hem te krijgen, het contact met hem niet kwijt te raken. Andere kinderen roepen wel eens: Brian krijgt nooit straf!, waarin ze gelijk hebben, want straffen helpt niet bij Brian, met Brian moet je praten, maar ze realiseren zich ook wel dat Brian anders is.

Het is een beperkte jongen, hij kan nauwelijks lezen en schrijven, en het is ook een lieve jongen, maar hij moet omzichtig benaderd en behandeld worden. Soms mag je hem niet aanraken — Blijf van me af jongen! — en soms komt-ie uit zichzelf tegen je aan staan, vindt-ie het fijn als je even een arm om zijn schouder slaat. Het is geen jongen voor onze school, het is een jongen voor het speciaal onderwijs.

In de kantine roept Brian weer tegen mij: ik ga niet naar de strafklas, wat is dat, om een blikje gooien, wat is dit voor school, strafklas om niks! Ik laat hem maar, zeg dingen als: je bent heel boos nu Brian, je wil niet naar de strafklas, je vindt dat je niks ergs hebt gedaan. Maar daar achteraan zeg ik wel: maar wat moet ik nou Brian als jij niet meer naar ons luistert? Niet meer met mij wil praten? Ga nou even met me mee, je hoeft niet naar de strafklas als je dat niet wilt, maar ik wil wel even met je praten.

Uiteindelijk loopt hij toch mee. Plots lijkt hij ook beter gestemd. Als hij in mijn kamer op een stoel gaat zitten, zie ik dat hij vrolijk kijkt, en ik zeg onmiddellijk: zo zie ik je graag Brian, dat is veel beter, met een vrolijk gezicht — en Brians gezicht wordt nu alleen nog maar vrolijker. Ik zeg tegen hem wat ik moet zeggen, met blikjes gooien willen we niet, en dat hij ook naar de strafklas moet komen als wij dat zeggen, maar hij kan ook een andere straf krijgen als hij dat liever heeft, de rommel van het schoolplein halen bijvoorbeeld, is dat beter? Ja, zegt hij, dat is beter, dat wil hij wel, en ik zeg: dan hoor je nog van me wanneer ik je daarvoor nodig heb, ga nu maar naar de les. Als hij wegloopt bedenk ik, opgelucht: natuurlijk, alles liever dan te moeten lezen en (over)schrijven — wat hij in de strafklas zou moeten — want dat kan hij nu eenmaal niet.