Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (17)

Het is opvallend hoezeer de veertienjarige Hakima, een grote, stevige meid, anders is gaan kijken. Ik zie het in haar ogen, een fonkeling van plezier. Hakima nota bene, die in het begin niets van mij moest hebben, met wie ik tot tranen toe conflicten heb moeten uitvechten – haar tranen, dat wel. En nu…

Die conflicten, ach, ik ben ze alweer vergeten, maar ik weet nog wel waarover ze in essentie gingen. Hakima, altijd een chagrijnig gezicht, die zich, trots, niet eens verwaardigde mij aan te kijken. Liefst keek ze terwijl ik tegen haar sprak, tegen de hele klas maar toch ook tegen haar, het raam uit. Vaak kletste ze er gewoon tussendoor, tegen Nabila. Als ik haar vroeg stil te zijn bleef ze praten. Als het me te gortig werd, het ten koste van mijn zelfrespect ging, liet ik haar net zolang nablijven tot ze goed de pest in had of me met tranen in de ogen vroeg of ze nu niet alsjeblieft weg mocht.

Ik heb wel gedacht dat het ook iets met haar vader te maken had. Ik herinner mij nog goed dat de man, die naar onze voorlichtingsmiddag over het Nieuwe Leren was gekomen, van dat hele Nieuwe Leren niets moest hebben, duidelijk liet blijken het maar een modieuze en typisch Nederlandse gril te vinden, dat kinderen eerst en vooral discipline bijgebracht moest worden. Orde en tucht, daar ging het om en juist daar ontbrak het ons leraren hier aan. En bovendien, vond hij, schatten wij zijn dochter veel te laag in. Waarom kon zijn dochter niet naar een andere school en dokter worden? De gedachte dat zijn teleurstelling met deze school en dat zijn dochter hier zat, van invloed was op het gedrag van Hakima, leek me zo gek nog niet.

Maar ik heb ook altijd het gevoel gehad dat er meer aan de hand was, dat Hakima meer dan anderen gevoelig was voor status, en dan doel ik niet alleen op haar status als praktijkschoolleerling – ze hield maar niet op met herhalen dat haar niveau «eigenlijk vmbo» was, en dat ze hier te laag zat – maar ook op haar status als Marokkaanse in Nederland, die van allochtoon. Alleen haar heb ik ooit als enige van al mijn leerlingen horen zeggen «dat Nederlanders bang zijn voor Marokkanen» en er klonk zowel verachting als trots in haar woorden door: verachting om die bange, laffe Nederlanders; trots op haar eigen, Marokkaanse nationaliteit, haar eigen mensen. Het was net even te veel, die trots, die verachting. Het verraadde de pijn die ze moest voelen.

Vlak voor de kerstvakantie zag ik haar vader opnieuw en het verraste me, zo vrolijk als hij was. Ik had me al voorbereid op een moeilijk gesprek met een ontevreden man, gegeven onze worsteling met het Nieuwe Leren, waardoor onze leerlingen de laatste tijd maar weinig geleerd hadden. Maar hij had geen klachten, ook niet over het Nieuwe Leren. Hij kwam lachend binnen, schudde me enthou siast de hand en vroeg me of zijn dochter het goed deed, of liever, hij vroeg om een bevestiging: «Hakima goed ja? Goede meisje? Allesj goed?» Ik was blij er zo glad vanaf te komen en knikte met een zekere gretigheid van ja.

Plots viel me op hoe jong deze man eruitzag – ik herinnerde me hem als niet alleen veel chagrijniger maar ook veel ouder. Ik vroeg hem hoe oud hij was en hij vroeg me, niet zonder ijdelheid, wat ik dacht. «Vijftig?» «Ik vijffesjesjtig!» riep hij trots. Vijfenzestig had ik hem inderdaad nooit gegeven.

Ik sprak met hem, nu we klaar waren met Hakima, over de moord op Theo van Gogh, en hij zei dat een gek dat had gedaan, een slechte moslim die levenslang moest worden opgesloten. Maar, voegde hij eraan toe, die «sjwartpietvrouw» was óók niet goed. Ik begreep dat hij op Hirsi Ali doelde. Hij bleef mopperen over hoe zij goede moslims van alles en nog wat betichtte en het was duidelijk dat hij, een man die hier dertig jaar lang hard had gewerkt en zich altijd keurig had gedragen, zich door haar gekrenkt voelde. Tien minuten lang luisterde ik naar hem, tot de volgende ouder aan de beurt was, en ik begreep toen ook beter dat Hakima met deze trotse vader ook dát gevoel, van als Marokkaan, moslim, in het verdomhoekje te zitten, tenminste ten dele van thuis mee moest krijgen, als ze het in Nederland niet al aan den lijve ondervond.

Niet veel later begon Hakima anders naar me te kijken, met die fonkeling van plezier in haar ogen. Het is ongetwijfeld ook omdat ik al een tijd lang minder hard tegen haar ben, haar maar laat, maar wacht tot zij naar mij toe komt in plaats van zo mijn best voor haar te doen; maar ik dank het ook aan dat gesprek met haar vader. Hij kwam vrolijk en hij ging vrolijk weer weg, blij met zijn dochter, blij met het begrip dat hij bij haar leraar had gevonden. Hij zal een goed woordje voor me hebben gedaan.