Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (18)

Natuurlijk zit de Ghanese Jacob, die hier eigenlijk niet op school hoort, hij is te moeilijk voor ons, natuurlijk zit die Jacob hier nog steeds, want je krijgt leerlingen niet één-twee-drie weg. Dan moet je ervoor zorgen dat ze elders geplaatst worden, in het geval van Jacob op een, zoals dat heet, zmok-school, een school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen. Behalve dat zo’n plek niet gemakkelijk gevonden is, moeten allerlei mensen die Jacob nooit zullen zien, die alleen rapporten over hem lezen, oordelen of onze «indicatie» terecht is. Tien tegen één dat Jacob het einde van dit schooljaar bij ons gaat halen, wie weet hier zelfs volgend jaar nog zit.

Mij hoor je niet klagen. Ik heb dat wel gedaan, in vorige afleveringen van deze kroniek, want Jacob zorgt in de klas voor veel onrust. Het is een stoker, hij zet zijn medeleerlingen tegen elkaar op, en hij lacht ze uit, wat ze niet prettig vinden en waar ze dus op reageren, zo zijn praktijkschoolleerlingen nu eenmaal, en ja hoor, daar gaat weer een kwartier lestijd, met dank aan Jacob. Zelf kan hij behoorlijk recalcitrant zijn, vooral als hij door mij tot de orde geroepen wordt, hou nou eens op Jacob. Meestal begint hij dan te lachen, iets dat mij op zo’n moment meestal ook irriteert, waardoor ik boos op hem word, waardoor hij nog gekker gaat doen. Ook Jacob kan boos worden, ook dan is hij recalcitrant, zeg maar gerust dat er dan geen land meer met hem te bezeilen valt. Er zijn dagen die geheel door Jacob gevuld lijken te worden.

Nogmaals, ik klaag niet. Sterker nog: ik begin Jacob eigenlijk wel leuk te vinden. Mijn jonge collega Alex, een grote kerel en een goed judoka bovendien, wiens directe, rondborstige omgang met leerlingen zijn uitwerking niet mist, hij is geliefd bij onze leerlingen, deze Alex zei laatst over Jacob: «Het is toch een goeie gozer?» En ja, daarin had hij gelijk, in de grond is Jacob, inderdaad, een goeie gozer. Maar waarom is hij dan zo lastig?

Laatst nam ik de leerlingen mee naar buiten, gewoon, omdat ik geen zin had om binnen te blijven, het was zulk mooi weer, en ik vind het ook leuk, zo’n wandelingetje met leerlingen. Achter de school is een klein park en daarachter weer is een winkelstraat en weer daarachter bleek de moskee te staan die door de Turkse Ersin werd bezocht en twee straten verderop stond het huis van de Marokkaanse Nabila. De moskee hebben we met z’n allen van binnen bekeken, er waren een paar Turkse mannen met snorren, en Ersin, die deze mannen uitlegde dat ik zijn hodja, zijn leraar was, leek heel even twee keer zo groot te zijn – de kleine Ersin, voor het eerst in mijn aanwezigheid op eigen terrein, dat wil zeggen op terrein dat hier, in Nederland, toch meer het zijne dan het mijne was. Nabila daarentegen weigerde haar huisnummer te verklappen, liet mij ijskoud bij een verkeerd nummer aanbellen, ik had haar moeder, die laatst op de ouderavond was, graag even gedag gezegd. Natuurlijk vond iedereen het heel leuk dat ik bij een wildvreemde had aangebeld, ik heb het adres van Nabila wel ergens maar ik het had niet bij me, dreigend zei ik tegen haar dat ik dit jaar zeker nog eens bij haar op huisbezoek zou komen, oualla Nabila, ik zweer ’t je – nooit nooit nooit zou dat gebeuren, oualla meester, ik zweer het je, riposteerde Nabila.

Jacob zag toen we terugliepen zeker honderd meter verderop een in elkaar getrapte fiets op een stuk grasland liggen, en rende er direct als een jonge hond op af. Wij liepen door, en toen wij Jacob hoorden roepen en omkeken, zagen wij hem met die fiets boven zijn hoofd staan, als een soort Tarzan. Dát het maar even gezien was, toen wij opnieuw doorliepen smeet Jacob de fiets weer weg en holde als diezelfde jonge hond vrolijk weer terug, terug naar ons, de groep, waar ook hij bij hoorde. Alleen dit al, deze actie, nam me zo voor de jongen in dat ik spijt had dat ik ooit had gedacht dat hij maar beter van school moest.

En het is ook wel de vraag hoe terecht het eigenlijk is. Het is beslist Jacobs fort niet uit boeken te leren – dus dat hij bij mij in de les, docent Nederlands tenslotte, niet altijd even makkelijk is, is misschien niet zo raar. Als je hem een homp klei geeft daarentegen, wat mijn collega’s van handarbeid soms doen, om hem daar een pot of vaas van te laten maken, heb je anderhalf uur lang geen kind aan hem. Laat je hem technisch tekenen, een perspectieftekening maken bijvoorbeeld, idem dito – en dan komt er ook een goede tekening uit. Deze jongen, deze Jacob, moet iets doen. Maar Jacob krijgt geen elektrotechniek, ook niet op zijn niveau (een stekker in elkaar zetten), hij krijgt ook motortechniek, geen metaalbewerking, doet weinig of niets met hout. Het staat allemaal niet op het rooster, en binnen het Nieuwe Leren heeft het tot nog toe evenmin een plaats gekregen. Is het misschien zo dat wij de vaak zo onhandelbare Jacob naar een zmok-school moeten sturen alleen maar omdat wij nog veel te weinig een praktijkschool zijn?