Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (2)

De leerlingen, tweedeklassers inmiddels, vertellen over hun vakantie. Het is een van de eerste lessen van het nieuwe schooljaar, ik ken deze veertien jarige kinderen allemaal, en zij mij ook. Ik wil graag weten hoe ze hun vakantie hebben doorgebracht.

De meesten komen uit Marokko, althans hun ouders, want zijzelf zijn hier geboren, en de meesten waren in de vakantie ook in Marokko. Niet erg verrassend. Wat me wel verrast, is de manier waarop ze erover vertellen.

Om er iets meer uit te krijgen dan een paar zinnen («We waren in Marokko, het was leuk, we gingen naar familie, dat was ook leuk») probeer ik het eens op deze manier: ik laat de leerlingen elkaar interviewen («net als op televisie») om ze vervolgens het vakantieverhaal van degene die ze hebben geïnterviewd aan de klas te laten vertellen. Om ze te laten zien hoe je dat doet, elkaar interviewen, ze te laten zien dat je soms moet doorvragen om leuke verhalen te horen, doet ik het zelf voor, met Loubna, een stevige meid met een grote mond en een schorre, rauwe stem. Nu ze als enige over haar vakantie moet vertellen, in antwoord op mijn vragen, in een klas die vol jongens zit, is ze wel wat verlegen, maar ze komt daar snel overheen en praat dan – als gewoonlijk – snel en veel, niet zonder daartussendoor voortdurend zelf in de lach te schieten.

Wat haar doet lachen is niet alleen verlegenheid: het is eerder dat iedereen het herkent. Iedereen hier weet wat het is om twee dagen in de auto te moeten zitten, om ’s nachts in de auto te moeten slapen, om in de rij voor de boot te staan, om uiteindelijk doodmoe aan te komen in Marokko. Als het aan Loubna lag had ze dit in één zin verteld («we gingen naar Marokko») maar omdat ik naar details vraag (hoe gingen jullie, waar sliepen jullie onderweg, moest je lang wachten voor de boot) spint ze haar verhaal uit – met de details die iedereen herkent. Dat zijn de momenten waarop wordt gelachen.

Vaak zijn ze zo serieus. Ze voelen zich zo vaak achtergesteld, doen ook zo vaak alsof ze niet meetellen, gediscrimineerd worden, «maar Marokkanen zijn». Ze kunnen soms zo gebeten reageren, zichzelf ook zo naar beneden halen, zo verongelijkt doen. Vandaag is van die hele houding geen sprake. Vandaag is er zelfspot. Terwijl Loubna vertelt, gooit nu eens de een en dan weer de ander er een opmerking tussendoor, en lachen ze allemaal – en voel ik me een buitenstaander, want het gaat me te snel, ik begrijp niet waarom ze nu precies lachen. Ik was er ook niet bij, natuurlijk, en even voel ik het gemis van niet hetzelfde te hebben meegemaakt. Er spreekt zo veel kracht uit die zelfspot, zo veel tevredenheid met wie ze zijn en met hun leven – en ik kijk ervan op.

Hetzelfde gebeurt als ze elkaar geïnterviewd hebben en één voor één aan de klas vertellen hoe de vakantie van hun buurman of buurvrouw is geweest. Bilal vertelt over de vakantie van Mimoun, die niet op vakantie is geweest, en hij doet dat kurkdroog, zonder er zelf bij in de lach te schieten, terwijl hij toch goed weet dat het grappig moet zijn, wat het uiteraard nog grappiger maakt. «Mimoun», begint Bilal, «is op vakantie geweest in Bos en Lommer… in het winkelcentrum… hij heeft de hele zomervakantie in het winkelcentrum rondgehangen.»

Iedereen barst in lachen uit, omdat ze het allemaal kennen, een zomervakantie nu eens níet naar Marokko, maar thuisblijven. De ellende ervan. «Hij heeft wel een krantenwijk gedaan», gaat Bilal verder – en weer is er gelach. «En sommige dagen heeft hij zijn vader geholpen met schoonmaken.»

Ik hoor het met groeiend respect aan. De clichés die Bilal in dit vakantieverhaal de revue laat passeren – Marokkanen wonen in Bos en Lommer, Marokkaanse jongeren hangen rond in winkelcentra, Marokkaanse jongeren lopen een krantenwijk, Marokkaanse vaders maken schoon – het heeft iets weg van stand-up comedy, cabaret. Mimoun, die hier toch in de maling lijkt te worden genomen, lacht hard mee, maar als hijzelf aan de beurt komt pakt hij Bilal genadeloos terug: «Bilal is naar Marokko op vakantie gegaan, in een busje, met tien personen… hij ging elke dag naar het strand, op een ezel.»

Ook Mimoun heeft succes, iedereen vindt het prachtig, dat busje, die ezel, sommigen slaan van plezier met de vlakke hand op tafel. Het is alsof het allemaal even ver van ze af staat als het gebroken Nederlands dat hun ouders spreken – iets wat tot een vorige generatie behoort. Niet iets waarvoor ze zich nog schamen, integendeel. Zo had ik deze leer lingen nog niet eerder meegemaakt. Het is alsof ik een nieuwe generatie heb zien opstaan.