Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (20)

Hij kan het niet laten even op de bel te drukken voordat hij de school binnenloopt, de kleine dikke Karim. «Wie drukt er nou weer op die bel», roept de con ciërge, en Karim, die begrijpt dat er geen ontsnappen aan is, bekent onmiddellijk. «Sorry meneer.» De conciërge voert zijn eigen kleine oorlog tegen dat belletje drukken, en tegen het uit en aan doen van de lichten op de gang. Het zou inderdaad prettig zijn als de leerlingen eens van al die knopjes afbleven.

Hoe dan ook, Karim heeft zijn aanwezigheid al bij binnenkomst doen gelden. Een slecht voor teken. Een half uur na het begin van de les komt hij mijn kamer al weer binnenstormen: zijn jas is kapot, hij laat het mij zien, een deel van de naad bij zijn schouder is uitgescheurd. Judith, aldus Karim, heeft dit gedaan, zij moet zijn jas betalen, vijftig euro.

Bij dit soort gelegenheden, zeker als de Antilliaanse Judith erbij betrokken is, is de jongen altijd over zijn toeren. Hij is sowieso druk en beweeglijk, praat sowieso snel, op die hoge toon van hem, en dan ook nog half binnensmonds, en slissend. Maar nu, zo verontwaardigd als hij is, is hij niet meer te stuiten. Met de gebaren die hij maakt, verontwaardigd geheven armen, gebaren veel te groot voor dit kleine kereltje, lijkt hij de halve kamer te vullen. In ononder broken beweging doet hij voor hoe Judith hem heeft vastgepakt — waardoor de jas scheurde — en laat hij zien hoe verontwaar digd hij hierover is, en eist op hoge toon, ook weer onderstreept door gebaren, schade vergoeding.

«Ga eens even rustig zitten Karim», zeg ik.

Maar Karim denkt dat ik hem niet serieus neem, en begint weer helemaal opnieuw. «Ka rim», zeg ik, «je jas is kapot, dat heb ik goed gezien, Judith heeft dat gedaan, dat heb ik gehoord, je wil dat die jas betaald wordt, dat heb ik begrepen. Ga nu even rustig zitten, ik wil dat je rustig wordt.»

Nu gaat Karim wel zitten. Ik twijfel. Ik weet dat als ik nu zeg: Karim, eigen schuld, dikke bult, had je je maar niet met Judith moeten bemoeien, nu zie je wat ervan komt… als ik dat zeg is de boot helemaal aan, dan stikt dat kleine dikkerdje van verontwaar diging, loopt-ie rood aan, loopt-ie misschien zelfs de school uit omdat hij niets meer met ons te maken wil hebben. Als ik Judith erbij haal, om haar kant van het verhaal te horen, heb ik hier twee schreeuwende kinderen in mijn kamer. Toch doe ik dat laatste, ik heb eigenlijk geen keus.

Judith verhaalt op even verontwaardigde toon dat Tracey een boek in haar hand had en dat Karim dat uit Traceys hand trok, en dat zij het wilde pakken maar dat Karim het in de prullenbak gooide et cetera. Karim is dus niet zo onschuldig als hij beweert te zijn, heeft in zekere zin zelf om die gescheurde jas gevraagd, maar dat zal ik hem nooit en nooit duidelijk kunnen maken, in ieder geval nu niet.

Wat is dat toch met die kinderen? Ergens schuldig aan zijn, is onverdraaglijk voor ze. Als ze eruitgestuurd worden, als er iets gebeurd is, ze zullen altijd zeggen dat zij niets gedaan hebben, dat de meester ze «sómaar»… Ze zijn bang voor de minste afwijzing — elkáár afwijzen is wat ze de hele dag doen — en ze zijn nog banger om betrapt te worden op laat ik maar zeggen laakbaar gedrag. Het is alsof ze maar één stap van de hel verwijderd zijn, zich als het ware voor de poort bevinden; het minste of geringste duwt ze er voor eeuwig en altijd in. Vandaar ook altijd die nadruk op de fouten van een ander, alsof die henzelf vrij pleiten. Karim heeft misschien dat boek gepakt, maar die jas scheuren is nog veel erger, dus praat hij alleen daarover.

Als ik Judith terugstuur naar de klas, want ik heb genoeg gehoord, raakt Karim in alle staten. Hij begint weer druk en op hoge toon te praten, en daar zijn ook weer al die gebaren. Ik begrijp dat hij bang is dat hij de schuld krijgt, zijn gedrag komt mij nu half hysterisch voor, en ik krijg medelijden met hem. Weliswaar heeft hijzelf schuld aan zijn kapotte jas; je kunt met evenveel recht zeggen dat hij daar helemaal niet schuldig aan is, hij heeft zichzelf nu eenmaal niet geschapen. Dus probeer ik hem te kalmeren, en dan begint hij te huilen. Ik vind het zielig voor hem en zeg: «Misschien is het niet nodig om een nieuwe jas te kopen. We kunnen hem toch laten repareren? Hij is gescheurd bij de naad, dat kan niet zo moeilijk zijn. Wat kost een reparatie?»

Door zijn tranen heen, pardoes het antwoord: «Zeven vijftig.»

«Zeven vijftig? Dat weet je goed. Laat jij die jas dan repareren, dan breng je mij het bonnetje, dan krijg jij dat geld van mij terug. Is dat een goed idee?»

Karim knikt en even later kan ik hem weer terugsturen naar de klas. Het is nu een paar weken geleden en het bonnetje heb ik nooit gezien.