Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (21)

De dertienjarige Tariq is lang voor zijn leeftijd, een brugklasser met een tegelijk vrolijk, vriendelijk en naïef gezicht – geen partij voor de weliswaar nog een stuk kleinere maar veertienjarige Abdel, een tweedeklasser. Abdel heeft die blik die de wereld in de gaten houdt, hij heeft niet die goeiige uitstraling van Tariq. Dus als Abdel wil laten blijken wie hier de baas is – onze leerlingen doen dat graag – en Tariq is zo vermetel om Abdels dominantie niet onmiddellijk te accepteren, dan neemt Abdel ’m te grazen. Even, kort, samen met Ali; even staan beide jongens aan weerszijden van de lange Tariq, om een paar knietjes in z’n dijen te planten, zoals de kickbokser doet. Het duurt maar een paar seconden, van afstand gezien is het net spel, maar als de tweedeklassers Abdel en Ali doorlopen, springen Tariq de tranen in de ogen en wordt hij getroost door een paar andere brugklassers.

Ik heb Abdel sinds een maand in de klas maar ik ken de jongen goed. Vorig jaar was hij niet anders. Vorig jaar had hij nog dat schattige gezichtje van een klein knap jongetje, nu hij begint te groeien heeft zijn gezicht, inmiddels ook geen gezichtje meer, niet langer die perfecte verhoudingen, het gaat een jaar duren eer alles weer in proportie is, mond, kin, neus, jukbeenderen, eer hij ook zijn plots zwaarder wordende stem onder controle heeft. Leerlingen van deze leeftijd kunnen even heel lelijk zijn.

Scholen die te kampen hebben met geweld kampen meestal met leerlingen als Abdel, leerlingen die ieder contact in termen van status lijken te ervaren, voor wie een verlaging van status bedreigend zo niet vernederend is en die daar op bijna dierlijke manier tegen in opstand komen. Zelfs tegenover mij, leraar, is Abdel in staat zich te verweren als een straatjongen die niets meer te verliezen heeft. Ik schrik er dan van, even helemaal geen contact meer met de jongen te voelen, zo hard als hij plots is. Van het ene op het andere moment lijkt hij mij niet meer te kennen, is het alsof hij mij nooit eerder heeft gezien. «Raak me niet aan!» «Wat moet je man?!» «Sodemieter op man!»

Onze leerlingen zeggen vaak tegen elkaar, als ze ruzie hebben: «Ken ik jou?» En dat is precies wat Abdel tegen mij lijkt te zeggen op de momenten dat ik hem beschuldig van iets waarvan ik zeker weet dat hij het heeft gedaan, of erger nog, op momenten dat ik hem betrap. Zo kwetsbaar moet Abdel zich op die momenten voelen dat hij zijn toevlucht neemt tot de straatjongen in hem die maar aan één ding denkt: de vege huid redden, en die daarbij desnoods over lijken gaat. Op die momenten is het voor Abdel alles of niets.

Voor mij niet. Ik zie een jongen die een fout heeft gemaakt en daarop aangesproken moet worden – Abdel daarentegen lijkt zichzelf al aan de poort van de hel te zien staan. Soms moet ik minutenlang praten eer ik die kille blik uit Abdels ogen zie verdwijnen, iets van vertrouwen zie terugkomen, hem zie ontspannen en de jongen eindelijk durft erkennen dat ja, hij heeft dat gedaan, hij heeft vuurwerk afgestoken, heeft die jongen geslagen, heeft de brandblusser van de muur gehaald en ermee gespoten.

Minuten, ja. Abdel zelf heeft minutenlang alles ontkend, met heftige gebaren, wegwerpgebaren: waarom beschuldig jij mij man, altijd moet je mij beschuldigen, rot op ik praat niet met jou – op die toon. Ik weet: Abdel is nu niet zichzelf. Maar Abdel moet wel weten dat niet alles kan.

Het kan niet: het brandblus apparaat van de muur halen, de verzegeling verbreken, ermee beginnen te spuiten en, als de conciërge die toevallig langsloopt Abdel het apparaat uit handen probeert te trekken, de man in het gezicht spuiten. Ik heb onze Marokkaanse conciërge, die een lieve man is, nog nooit zo boos en verontwaardigd gezien. Hoewel hij niet veel groter is dan Abdel sleurde hij hem mee de trap af, mee naar de directeur, terwijl Abdel hém ondertussen vastpakte en op zijn hele straatrepertoire trakteerde: raak me niet aan, laat me los man, ik ga mijn broer halen, je krijgt een pak sjlaag et cetera. Blazen, klauwen, een dier in doodsnood.

Een vader heeft Abdel niet meer. Wel een moeder die geen Nederlands spreekt en het huis nooit uitkomt. Wel een zus die tien jaar ouder is, die sprekend op hem lijkt, die perfect Nederlands spreekt maar niet meer thuis woont, die getrouwd is en het soort kleding draagt, het soort gewaden – dat verbaasde me wel – dat alleen haar handen en haar gezicht onbedekt laat. Zo goed verpakt zie ik maar weinig jonge Marokkaanse vrouwen – maar ze is aardig, verstandig, behulpzaam, is nu ook naar school gekomen, ook zij maakt zich zorgen.

Wat doen we met Abdel? We schorsen hem een dag, intern. We moeten dat brandblus apparaat opnieuw laten vullen en verzegelen – we willen hem dat laten betalen. Daar moet hij dan maar voor werken. Wat kunnen we verder doen? Contact houden met zus. En vooral: contact houden met Abdel. Maar ik ben bang dat het met Abdel, die óók leuk is, ook aardig, toch mis zal gaan. Hij heeft een school nodig die ’m aan banden legt – en dan nog.

Magda Rinkema is op vakantie