Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (22)

In de pauze loop ik naar het rijtje winkels op een steenworp afstand van onze school vandaan. Ik koop bij de bakker een belegd broodje en als ik de winkel weer uit loop zie ik dat een hele horde kinderen zich hier heeft verzameld. Wat is er aan de hand?

Dit: de half Nederlandse, half Antilliaanse Judith is terug. Sommige lezers zullen zich misschien hebben afgevraagd: wat is er toch met die Judith gebeurd? Vorig schooljaar dook zij bijna iedere week op deze pagina op, nu heeft de lezer al maandenlang niets meer van haar vernomen. Wel, zij heeft die maanden in een aparte klas gezeten, in een ander gebouw. Wel meer scholen hebben zo’n klasje, waarin zo’n vijf à tien leerlingen zitten die leraren te veel last bezorgen. Het is de bedoeling van zo’n klasje leerlingen even buiten hun vertrouwde omgeving te plaatsen, waar ze een hoop ellende veroorzaken, en een soort van korte her opvoeding te geven. Meestal duurt zo’n periode twee maanden, in het geval van Judith heeft het drie maanden geduurd.

Helpt ’t ook? Soms wel. In het geval van Judith… De horde kinderen blijkt te zijn meegelopen met de Iraakse Ahmed, vorig schooljaar een geliefd slachtoffer van Judith. Ahmed, schreef ik toen al, kan niet tegen Judith op, deze bouwvakkerszoon met zijn grove knuisten mist ten enenmale haar subtiliteit. Vorig schooljaar hoefde Judith alleen maar «Irak» te zeggen, dat door Amerika bezig was verwoest te worden, en Ahmed, onmiddellijk in tranen en half buiten zinnen, zwoer wraak. Vandaag deed de inmiddels veertienjarige Judith, een grote, stevige meid, op het moment dat ze hem in het gezicht keek alsof ze schrok – en Ahmed begreep heel goed dat ze zogenaamd schrok omdat hij zo verschrikkelijk lelijk zou zijn, dat dat de boodschap was. Uiteraard had ze feitelijk niets «gedaan», en toen Ahmed op haar begon te schelden, en te zeggen dat haar vader en haar moeder even lelijk waren als zijzelf was en ook nog uit hun bek stonken – toen zei juf: ga d’r maar uit Ahmed.

Ahmed is op zo’n moment niet meer te hanteren, Judith speelt de vermoorde onschuld, en Ahmed, tot op het bot gefrustreerd, misdraagt zich vervolgens ook tegenover de directeur en wordt voor de rest van de dag geschorst. Op weg naar het metrostation, ziedend van frustratie nog, passeert hij dan het rijtje winkels waar ik net mijn belegde broodje heb gekocht, en omdat hij zich dít niet kan laten aandoen, omdat hij om het gezichtsverlies te beperken iets móet ondernemen, vertelt hij al zijn klasgenoten van de wraak die hij nu onmiddellijk zal nemen, dat als Judith straks ook hiernaartoe komt, hij haar een pak slaag zal geven, et cetera. Zijn klasgenoten, ja een ieder die de spanning ruikt, loopt vol verwachting met Ahmed mee, Ahmed die nog altijd met een kwaad gezicht rondloopt, met iedere pas strak naar de stoeptegels voor zich staart, zijn blauwe pet diep over zijn ogen getrokken. Ahmed, en dus iedereen, blijft bij het rijtje winkels wachten tot Judith zal voorbijkomen – want Judith moet naar kookles en kookles is in het hoofdgebouw, dus Judith komt hierlangs, onherroepelijk.

Ik zie al die kinderen hier bij de winkels en het valt onmiddellijk op dat Ahmed van die opgewonden horde het brandpunt is. Ik zie ook Judith aan komen lopen, met een jongen die niet bij ons op de praktijkschool zit maar op het hoofdgebouw, een jongen die ik een paar jaar geleden als «nieuwkomer» in de klas heb gehad, de inmiddels zeventien- of achttienjarige Christopher uit Sierra Leone. Judith, niet op haar achterhoofd gevallen, heeft haar vriend gebeld, nu in de functie van lijfwacht. Mijn leerlingen zien wel dat Christopher een stuk ouder en groter is dan zijzelf, een stevige jongen met wie niemand graag ruzie zou willen hebben, al was het maar omdat op zijn gezicht geschreven staat: ik doe alles wat nodig is om mijzelf en mijn belangen te verdedigen. Kom niet te dicht bij mij. Pas op.

Feilloos, uit de bijna duizend leerlingen die op het hoofdgebouw van onze school rondlopen, heeft de Antilliaanse Judith die jongen gekozen die even beschadigd moet zijn als zijzelf. Ik heb vorig schooljaar vaak met Judith gesproken, met haar moeder ook, en ik heb van beiden gehoord dat vader er niet voor terugdeinsde moeder te mishandelen. Van vader, die ik toen ook wel eens heb gesproken, heb ik gezien dat hij zijn best kan doen zich te gedragen als een vader die de school van zijn dochter komt bezoeken en graag een goede indruk achterlaat. Van Christopher weet ik dat indertijd het gerucht ging dat hij kindsoldaat zou zijn geweest, of het waar is weet ik niet. Feit is dat hij als veertienjarig kind zijn vaderland is ontvlucht, en het sindsdien zonder hulp van familie in Nederland heeft moeten rooien. Dat zo’n jongen voor Judith kennelijk een goede partij is… het geeft te denken. Ik in ieder geval loop naar Ahmed toe, zeg dat ik zie dat hij heel boos is, dat hij nog maar even mee moet lopen met mij naar school, dat we nog maar even moeten praten, zo laat ik je niet naar huis gaan Ahmed.