Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (23)

Het is lastig de Marokkaanse Naoual, dertien jaar, toe te laten geven dat ze iets heeft gedaan wat ze beter niet had kunnen doen. Haar daarvoor excuses laten maken grenst aan het onmogelijke. Toch is dat bij haar af en toe wel nodig.

Mijn kamer is tegenover de kantine. Als ik mijn deur open heb, kan ik zien wat daar zo ongeveer gebeurt, en ik hoor het vooral heel goed. Vandaag merk ik dat Naoual, die vroeg is gekomen — ze heeft pas om tien uur les, maar is er al om negen uur — erg druk is. Ze rent heen en weer in de kantine en af en toe gilt ze daarbij. Dat is niet de bedoeling. We zitten in dit gebouw met honderd brugklassers. Als die zich in de kantine allemaal zo gaan gedragen, en ze neigen daar wel toe, is het daar een heksenketel. Rennen en gillen doen ze maar buiten, op het schoolplein, niet ín het gebouw, en dus loop ik mijn kamer uit en vraag of ze een beetje rustig kan doen.

Naoual is nog maar een klein meisje, maar ze kan je vanonder die hoofddoek met die grote bruine ogen heel vies aankijken. Ze zal de boel nooit openlijk saboteren — dit rennen in de kantine was niet bedoeld als sabotage —, dat gaat altijd in het geniep, zodat ze er moeilijk op te pakken is. Ook nu weer: de manier waarop iemand je aankijkt is nogal ongrijpbaar, het kan altijd ontkend worden. Toch zeg ik er wat van: «Je hoeft me niet op die manier aan te kijken Naoual.»

«Wat?»

Ze heeft me wel verstaan. Dit nu is ook weer zo’n manier om me te laten voelen dat ze lak aan me heeft. Dus zeg ik: «Hoe bedoel je wat?»

Naoual weet heel goed dat ik zo niet graag door leerlingen word aangesproken, maar ze doet uiteraard weer alsof ze het niet begrijpt. Ze is inmiddels aan een tafeltje gaan zitten, en drie vriendinnen die ook wachten op het begin van de les zitten om haar heen. Misschien dat ze daar kracht uit put — ze zou beter moeten weten.

«Naoual, ik denk dat je me heel goed gehoord hebt, en ook heel goed begrepen. Kom maar even mee naar mijn kamer.»

«Sómaar…»

In dat «sómaar…» kunnen leerlingen een heilige verontwaardiging leggen. Ik zeg niets meer terug, loop naar mijn kamer, en begin Naoual uit te leggen wat me niet bevalt aan haar gedrag. Later komt haar mentor erbij, die Naoual van me overneemt; Naoual krijgt nu les van haar.

Een uur later komt ze met Naoual terug, die inmiddels een briefje heeft geschreven, voor mij: «sorry dat ik niet met twee woorden ging praten. het was de bedoeling niet. ik beloof dat ik respect voor grote mensen. Ik heb er spijt van. Naoual».

Terwijl haar mentor erbij blijft staan, Naoual als het ware als modelleerling presenterend, zeg ik dat ik het heel goed vind dat ze dat heeft opgeschreven, maar dat ik het nu ook wel eens van haar wil hóren. Kan ze het ook gewoon tegen me zeggen? Om kort te gaan: nee, dat kan Naoual niet. We zijn een kwartier met haar bezig, haar mentor en ik, maar Naoual blijft zwijgen als het graf. Ze kan het niet over haar lippen krijgen, sorry meester. Het baart me zorgen bij zo’n klein meisje. Uiteindelijk zegt haar mentor: nee, dit is niet goed, hier moeten we aan werken, en neemt Naoual weer mee.

De vraag is wat we volgend jaar doen met Naoual, en niet alleen met haar. Volgend jaar moet het allemaal anders, gaan we om het eenvoudig te zeggen projectmatig werken. Geen lesrooster meer, geen vakken, geen boeken, alleen nog allerhande projecten die de leerlingen, door ons slechts nog begeleid, moeten uitvoeren. Bijvoorbeeld: organiseer een wekelijkse boodschappendienst voor de bejaarden in het aanpalende bejaardenhuis. Of: bouw acht nieuwe konijnenhokken voor de kinderboerderij. De leerlingen zullen daarvoor met een opdrachtgever moeten overleggen, ze zullen moeten samenwerken, ze zullen zich aan afspraken moeten houden en ga zo maar door.

Het vereist nogal wat. In het afgelopen uur heb ik behalve Naoual drie leerlingen aan mijn bureau gehad, van wie de één zei dat hij niets had gedaan maar alleen maar een potlood aan een ander had gevraagd en toen zei de meester ga er maar uit. Nummer twee zei dat iemand anders in de klas over hem gepraat had en dat hij had gezegd: je moet niet over mij praten wat praat jij en dat de juf toen zei: ga d’r maar uit. Nummer drie zei boos dat als de juf haar negeert dat zij de juf dan ook gaat negeren — en zo gaat het de hele dag door.

En deze leerlingen moeten straks samenwerken aan een project? Dat lijkt mij de grootste opgave voor volgend jaar, wat niet wil zeggen dat ik het onmogelijk acht of er tegenop zie. Integendeel. Het is het terrein waarop ze nog het meest kunnen leren, laten we het zo zien. Ik ben vooral razend nieuwsgierig.