Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (3)

Onze leerlingen van de praktijkschool zijn er goed in elkaar te pesten, en ze dreigen ook graag. «Ik ga je slaan.» «Ik maak je dood.» «Ik ga je ophangen.» Hoe vaak komen leerlingen niet bij mij om te zeggen dat die en die heeft gezegd dat hij hem (of zij haar — meisjes doen even hard mee) buiten school zal opwachten en «een pak slaag» zal verkopen? Leerlingen komen daar iedere dag opnieuw mee, niet één maar wel twee of drie.

In onze dependance in de Pijp zitten maar honderd leerlingen, maar zeven klassen. Het zijn kleine klassen en de leerlingen zijn ook klein, ze komen net van de basisschool, ze zijn twaalf, dertien of veertien jaar, niet ouder. Ze zijn op vier of vijf na allochtoon maar wonen allemaal al lang in Nederland en spreken rap Nederlands, zij het niet foutloos. Ze zijn speciaal geselecteerd op dit ene criterium: dat ze moeilijk leren. Het reguliere lager beroepsonderwijs is voor hen te hoog gegrepen, ze krijgen daarom een «praktijkopleiding» waarin ze eerst en vooral «zelfredzaamheid» wordt geleerd — tenminste, daar doen we ons best voor. Na vier jaar proberen we ze aan een baan te helpen.

Van alle leerlingen die ik de afgelopen tien jaar les heb gegeven, van vwo-leerlingen tot en met vmbo-leerlingen, vind ik deze praktijkleerlingen, die op de onderste sport van de ladder staan, het leukst. Misschien omdat ze nog zo klein zijn, en dus sowieso onschuldig, en omdat die onschuld zo’n scherp contrast vormt met dat bijna voortdurende pesten en dreigen. Het heeft iets vertederends, muizen die hun nekharen opzetten en brullen als leeuwen.

Maar voor de leerlingen zelf, die er midden in zitten, is alles van een dodelijke ernst. Ze komen zich niet voor niets bij mij beklagen. Ik moet vaak denken aan mijn in ’t Gooi opgroeiende nichtje van dertien, dat in de eerste klas van het gymnasium zit, een aardig, lief en beschaafd meisje dat geen cent zegt maar zent. Vaak vraag ik me af hoe zij zich zou voelen als ze plots bij ons in de kantine zou worden gezet, samen met honderd praktijkleerlingen. Ik denk dat ze geen weet heeft van het bestaan van een wereld als deze, zich die niet eens kan voorstellen.

Het dreigen houdt niet op bij de leerlingen; de ouders laten zich er ook toe verleiden, misschien niet zo verrassend. Dagelijks hangt de moeder van de Antilliaanse Jeremy aan de telefoon, een en al bezorgdheid over het lot van haar zoon. De spraakwaterval houdt een kwartier aan: wat zijn dat toch voor kinderen die haar zoon pesten en bedreigen, zelfs schoppen en slaan, weten wij niet dat Jeremy astma heeft, de jongen moet beschermd worden, hij kan al dat pesten niet hebben, laatst kwam hij met een grote kras in zijn nek thuis! Wat deden wij daaraan, of moest zij het soms zelf komen oplossen? En inderdaad, op een ochtend dat ze Jeremy op school komt afleveren — overbeschermend als ze is brengt ze hem en haalt ze hem op, terwijl hij toch dichtbij woont —, op die ochtend komt ze de Antilliaanse Jeanet tegen, een meisje dat bij Jeremy in de klas zit en met hem had gevochten. Jeanet kreeg de volle laag, als ze het nog één keer flikte met haar poten aan haar zoon… etc.

Jeremy is een lieve jongen die zich best kan redden. Jeanet is ook geen vervelende meid. Maar kinderen maken nu eenmaal ruzie en bij ons gebeurt dat, geef ik toe, meer dan elders. Enfin, Jeanet overstuur bij mij, en een half uur later de moeder van Jeanet aan de telefoon — door Jeanet mobiel op de hoogte gebracht — die op haar beurt wilde weten wat voor toestanden dat waren, wat wij daaraan deden, en dat ze niet kon beloven dat haar man, die binnenkort uit de gevangenis zou komen, níet «over de rooie» zou gaan als hij te horen zou krijgen wat die moeder allemaal tegen zijn dochter… etc. De pointe was ook hier dat als wij een en ander niet zouden oplossen, híj dat dan wel even zou doen — en ik begreep dat zijn internering als een soort referentie gold: hij was het type man dat dit soort zaken daadkrachtig oplost.

Ik geef toe dat ik heb gedacht dat onze leerlingen elkaar voortdurend bedreigen omdat hun ouders dat blijkbaar ook doen, dat de appel niet ver van de boom valt.

Misschien, ook die gedachte is bij me opgekomen, onderschatten we onze leerlingen met die nadruk op de «zelfredzaamheid» die ze zich eigen zouden moeten maken, misschien moeten we het accent toch elders leggen.