Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (5)

Intussen doe ik mijn best mijn klassen op orde te brengen. Juist de eerste weken komt het erop aan; in die eerste weken kun je het voor jezelf goed verpesten door leerlingen het idee te geven dat bij jou alles kan. Zo moet het natuurlijk niet zijn: integendeel, bij jou kan niets. Bij jou houden ze hun mond en zijn ze aan het werk. Pas dan kan het leuk worden in de klas. Na een stalen tucht een fluwelen tucht.

Nu ben ik zo dom geweest de Marokkaanse Nabila in de bank pal voor me te zetten, waarmee ik het Nabila te gemakkelijk maak voortdurend te reageren op alles wat ik zeg. Een beginnersfout. Ook, vooral, omdat Nabila niet níet kan praten. Soms, als ik tegen haar uitval – «en hou nou je mónd eens een keer!» – en daarbij een boos gezicht trek, houdt ze zich een paar minuten gedeisd. Dan zit voor mij een ineengedoken gestalte, van top tot teen in het zwart gehuld, alleen haar blanke gezicht en handen onbedekt. Langer dan die paar minuten houdt ze het niet vol, ze móet weer praten, dingen zeggen, protesteren. Nabila leeft van het protest. De boeken zijn niet goed, de lessen duren te lang, dit is een slechte school, waarom zijn de broodjes in de kantine zo duur, moet ze nu alweer schrijven, haar hand is moe, zo krijgt ze kramp, u doet nooit iets leuks, u bent veel te streng.

Een even grote fout is het geweest Hakima, ook Marokkaans, naast Nabila te laten zitten. Hakima zit dus ook vlak voor mij, en deze twee grote, veertienjarige meisjes hebben de verkeerde invloed op elkaar. Ze putten moed uit de brutaliteiten van de ander, gaan dan weer een stap verder, en ik moet daar dan weer op reageren. Ik kan ook weleens wat laten lopen, dat doe ik ook wel, maar in die eerste weken van een nieuw schooljaar moeten grenzen gesteld worden, moet worden opgetreden, en met hun provocaties vragen Nabila en Hakima daar ook om. Hakima meer nog dan Nabila.

Bij Hakima, een dik meisje dat er minder leuk uitziet dan Nabila, is het alles chagrijn wat de klok slaat. Nabila wéét dat ze te veel kletst en zeurt, en vindt dat zelf grappig, met enig recht. Hakima daarentegen laat merken dat ze me niet moet. Beiden zijn brutaal, zeker, maar waar Nabila lacht om haar eigen brutaliteiten, daar wil Hakima dat ik haar minachting voel. Hakima hoedt zich er ook voor mij vriendelijk aan te kijken, voor haar ben ik een hond, en dat zal ik weten ook.

Dus gaan haar opmerkingen van kwaad tot erger. Dus is het voortdurend je en jij; daar begint het mee, al blijf ik het corrigeren, en het eindigt met een «rot toch op man» als ik haar verbiedt Arabisch te praten met Nabila. Het is alsof ze het achteloos zegt, zacht en achteloos, zonder mij aan te kijken, dat «rot toch op man», maar zo zacht en achteloos is het niet dat ik het niet hoor. Natuurlijk, ze wil ook dat ik het hoor. Ze wil zekerheid: dwingt hij mijn respect af, of niet, kán ik hem ook minachten?

Maar de klas is míjn wereld, en niet die van Hakima, waar haar leraar zo haar dat goeddunkt een hond is. Dus zeg ik, met alle verontwaardigde verbazing en verbaasde verontwaardiging die ik in me heb: «Wat zeg je nou, Hakima? Zeg je ‹rot op› tegen mij? Heb ik dat goed gehoord?»

Ze schrikt van mijn reactie. Ik blijf haar strak aankijken en zeg: «Dit wil ik nooit meer horen. Nooit meer. Aan het eind van de les blijf jij nog even zitten.»

Aan het eind van de les is het kwart voor vier en heb ik deze klas zeven lesuren lang gehad, de hele dag – met dank aan de roostermaker. Men begrijpt: het is me wat waard om met deze klas een goede band te hebben. Daarom moet Hakima hangen. Na die lange, lange dag laat ik haar nablijven en geef ik haar strafwerk. Ik zeg verder niets, alleen: «Je zit hier nog een uur met mij. Je weet waarom.»

Nu komen de verontschuldigingen, de ik-zal-het-nooit-meer-doens, nu is Hakima één en al onderwerping. De tranen springen haar in de ogen. Ze vraagt of ze haar strafwerk thuis mag maken, haar vriendinnen gaan nu naar huis, ze wil met ze mee, ze zal het dubbel maken meester, mag ze nu alsjeblieft weg?

Ik blijf hard – «nee, je maakt je strafwerk hier, nu» – zij blijft huilen, maar schrijft ondertussen wel haar regels: «ik moet beleefd blijven tegen de meester». Ik wist niet dat ze het zo vervelend vond om niet met haar vriendinnen mee te kunnen, ze is nu de enige leerling in de hele school.

Van Hakima zal ik voorlopig geen last meer hebben.

Nu Nabila nog.