Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (6)

Iedere ochtend nog voor de lessen beginnen, komt de Marokkaanse Younes mij gedag zeggen, een kleine dertienjarige jongen met het gezicht van een engel. Vandaag legt hij twintig cent op mijn bureau. «Is voor u, meester.»

«Nou, dankjewel Younes», hakkel ik, ietwat verbouwereerd. Moet ik die twintig cent nu in mijn portemonnee stoppen? Hoe maak ik Younes duidelijk dat ik zijn twintig cent helemaal niet wil hebben, zonder hem te kwetsen?

Younes wil de kantine al weer in lopen — de kantine is aan de andere kant van de gang tegen over mijn kamer — maar ik roep hem terug. «Wacht nog even Younes, vertel eens, waarom wil je mij zo graag dit geld geven? Wil je het zelf niet houden?»

Younes doet er wat nonchalant over, nee nee, ik mag die twintig cent hebben, die is voor mij, hij heeft het niet nodig. «Maar ik heb het ook niet nodig, Younes. Ik vind het heel aardig van je dat je mij een cadeautje wilt geven, maar ik mag als directeur geen geld aannemen van leerlingen. Dat begrijp je toch wel?»

«Is maar twintig cent, meester», probeert Younes nog, maar ik zeg: «Regel is regel, Younes, twintig cent is ook geld.» Ik pak het muntstuk en geef het hem terug. «Hou jij dat nou maar, dat is beter.»

De conciërge moet Younes niet, de kantinebeheerder evenmin. Ze vertrouwen hem niet, ze vinden het een achterbaks kereltje. Ze zien wat hij in de pauzes uitspookt, hoe hij met andere leerlingen omgaat, ik zie daar minder van en heb moeite met hun mening. Zo slecht kan dat opgewekte jochie met dat engelengezichtje toch niet zijn?

Even later staat Younes weer in mijn kamer. Het is nog vroeg, er zijn nog niet veel leerlingen op school, hij verveelt zich in de kantine. Omdat hij een reden nodig heeft om binnen te lopen, vraagt hij me «of de gymnas tiekles vandaag doorgaat» — «natuurlijk, Younes», en omdat ik best een wat langer praatje met hem wil maken, vraag ik hem wat dat voor brief is die hij daar in zijn hand heeft.

«O dat is niks, meester, is niet voor school, is van Sint-Maarten.»

«Een brief van Sint-Maarten?»

«Ja, sommige jongens maken problemen, meester. Is niet goed.» Met een frons op zijn gezicht maakt Younes duidelijk dat hij met die jongens die problemen maken niets van doen wil hebben. Ik raak geïntrigeerd en zeg: «Laat mij eens lezen, Younes.»

Younes heeft daar geen problemen mee, hij lijkt er zelfs trots op mij de brief te laten zien. Hij blijkt afkomstig van de politie, en bestemd voor zijn ouders. Er staat in dat Younes «een aandeel heeft gehad in de hierna beschreven gebeurtenissen», ik citeer wat langer:

«Voor veel kinderen en bewoners in de buurt is Sint-Maarten een feest. Echter bleek het voor een groep jongens ook een aanleiding om zich ernstig te misdragen. Deze jongens hebben die avond in diverse groepen door de buurt gezworven. Daarbij werd met eieren gegooid naar bewoners en woningen. Diverse bewoners werden uitgescholden. Er werd op een vervelende en uitdagende manier gebeld om snoep. Er werd op ramen gebonkt en met snoepgoed gegooid. Er zijn eigendommen van bewoners vernield. Het ergste van alles is dat andere kinderen werden bestolen van hun snoepgoed. Weer anderen voelden zich zodanig bedreigd en bang dat zij hun snoep hebben afgegeven aan deze jongens.»

Het beeld dat de politie schetst van ellende tijdens Sint-Maarten is zo afschuwelijk dat ik er bijna van in de lach schiet. Younes kijkt mij vol verwachting aan met die altijd vrolijke en onschuldige blik van hem.

«Maar dat is niet leuk wat hier staat, Younes.»

«Maar ik was daar niet bij, meester.»

«Hier staat dat je er wel bij was.»

Hij trekt zijn schouders hoog op. «Maar ik heb niks gedaan. Dat waren andere jongens. Dat zijn slechte jongens, meester.»

«Dat zijn inderdaad heel slechte jongens. Het is niet goed om daarmee om te gaan, Younes.»

«Nee meester.» Voor het eerst zie ik iets van deemoed in de jongen. Hij buigt nu ook het hoofd.

Ik praat nog wat met Younes over goede en slechte vrienden, dan stuur ik hem terug naar de kantine. Niet veel later komt de Antilliaanse Judith binnenlopen, even oud als Younes maar een stuk groter en forser. Zij beklaagt zich erover dat Younes geld van haar heeft «gepakt».

«Hoe bedoel je gepakt, Judith? Jij bent veel groter en sterker. Hoe kan hij nou geld van jou pakken?»

«Hij zegt dat hij mij gaat slaan als ik het hem niet geef.»

«Younes gaat jou slaan?»

«Ja, en hij zegt dat hij zijn broer meeneemt en zijn vrienden gaat bellen.»

«Wanneer heeft hij dat allemaal gezegd?»

«Gistermiddag, meester, na school.»

«En hoeveel geld heeft hij dan van jou gepakt?»

«Twintig cent, meester.»