Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (7)

Ik aarzel dit op te schrijven. Welk doel dien ik ermee? Menige collega, voor wie de gebeurtenissen zich verschrikkelijk dichtbij hebben afgespeeld, zal misschien vinden dat ik de vuile was buiten hang. Dat ik dit incident – sensationeel – ten eigen bate aanwend. Ikzelf denk: maar ook dit gebeurt op onze school. Dit zijn – mede – de omstandigheden waaronder wij werken. Waarom zouden de mensen dat niet mogen weten?

Het is nog niet zo lang geleden, januari van dit jaar, dat ik in een wat langer stuk naar aanleiding van de moord op een conrector van het Terra College door een leerling, in De Groene Amsterdammer schreef dat het ook bij ons op school had kunnen gebeuren: «Er lopen bij ons op school eenvoudig te veel leerlingen rond met te grote problemen.»

Wel, vermoord is er niemand, dat gelukkig niet. Maar wel heeft onze adjunct-directeur rake klappen gekregen. Hij ging gestrekt. In een mum van tijd zat zijn linkeroog dicht.

Het was geen leerling die hem belaagde maar een broer van een leerling, die een soort verhaal kwam halen. Hij kwam de school binnen, liep direct door naar de kamer van de adjunct en deelde daar die klappen uit. Hij kwam niet om te praten; voordat de adjunct in de gaten had wat er aan de hand was, had-ie die klappen al te pakken. Een paar seconden later was de jongen verdwenen. Hij had buiten al een tijdlang staan wachten, misschien op het moment dat de pauze voorbij was en hij zonder tussen allerlei leerlingen terecht te komen door kon lopen naar de directeurs kamer. Iets van met voorbedachten rade zat er beslist in.

Het was de broer van Robin, een veertien jarige Nederlandse jongen, die ik in de klas heb, sterker nog, ik ben zijn mentor. Robin is behalve een zwakke leerling ook een kwets bare jongen. Vorig jaar al viel hij mij op door zijn ongecontroleerde woede-uitbarstingen. Robin werd al op de basisschool gepest, bij ons ook weer, en Robin kan kwellingen weliswaar een tijdlang ondergaan zonder er noemenswaardig op te reageren – hooguit door zijn kwelgeest uit te schelden – maar er komt een moment dat het hem te veel wordt en dan slaat hij erop los. Dan wordt er ook echt geslagen, hard, met de vuist.

Dit jaar leek het wel te gaan. Natuurlijk, Robin stond alleen in de klas, maar van dat soort leerlingen heb je er meer. Hij leek niet ongelukkig, integendeel, ik vond hem vaak vrolijk, coöperatief. Nu zitten bij hem in de klas ook de dikke Khalid en de mafketel Jacob. Khalid doet niets, zit alleen maar in zijn bank, zwaar, loerend, broeiend. Het enige wat ik hem zie doen is, aan begin en eind van elke les, op de gang – lees: zodra hij de kans krijgt – de kleine Turk Ersin molesteren. Ersin, die mij altijd aan ET van Spielberg doet denken en die zelfs nog schaapachtig lacht als zijn nek en hoofd in de zeer benarde positie, klem tussen de dikke armen van Khalid, verkeren – die Ersin irriteert Khalid. Al zijn ziedende frustratie richt Khalid op Ersin, en, vrees ik, soms ook op Robin. Hij slaat Robin niet maar pest en scheldt hem uit.

In de Ghanees Jacob, die vorig jaar door de politie in een container werd aangetroffen – uit huis gezet door zijn tante – zit ogenschijnlijk niets kwaadaardigs, hij lacht veel. Helaas lacht hij bij voorkeur anderen uit. Ersin. Robin. Jacob wil alleen maar stoer gevonden worden, doet dan ook de hele dag «cool», anderen uitlachen hoort daarbij. Anderen uitlachen is schering en inslag op deze school – en ook hier is de kwetsbare Robin een geliefd slachtoffer. Robin kan zich niet verdedigen tegen een Khalid of een Jacob.

En dus haalt Robin zijn broer erbij. Zijn broer, vijftien jaar ouder en misschien vroeger zelf ook gepest, heeft genoeg van de verhalen van Robin. Iedere dag opnieuw – het moet maar eens afgelopen zijn. Ik geloof dat Robin zijn broer zelfs gebeld heeft, halverwege de schooldag. Broer komt op school, gaat gek genoeg geen verhaal halen bij Jacob of Khalid of welke leerling dan ook maar meteen maar bij de baas. Niet praten, onmiddellijk klappen uitdelen, en de school weer uitlopen.

Op ons, collega’s, heeft dit indruk gemaakt. Wij zien onze adjunct-directeur, natte doek op zijn oog, ontdaan, labiel. Eenieder denkt, terwijl hij dit aanziet: wil ik hier nog wel werken? Voor wie doen we het eigenlijk? Nog geen twee weken geleden op het hoofdgebouw, een steenworp van onze dependance vandaan: een leerling die een andere leerling met een mes steekt. Met de regelmaat van de klok zijn daar vechtpartijen. En dan nu, bij ons, dit.