Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (8)

We hebben de eerste dag van ons Nieuwe Leren, ons meer projectmatige onderwijs, erop zitten en komen ’s middags bij elkaar om na te praten. Hoe is het gegaan? Wat ging er goed? En wat ging fout? De adjunct-directeur die deze evaluatie leidt, schrijft het een en ander op het bord.

De meeste van mijn collega’s zijn enthou siast en zelf voel ik dat enthousiasme ook. We hebben met de leerlingen gewerkt aan de organisatie van ons Openingsfeest Nieuw Leren, over een week, we hebben de leerlingen laten kiezen aan welk onderdeel van het feest ze wilden meewerken en Anja, die het onderdeel amusement voor haar rekening heeft genomen, en met zeven jongens en zeven meisjes heeft gedanst, zegt dat het het beste ging als ze zich er helemaal niet mee bemoeide. Bijna al die meisjes en jongens zijn Surinaams of Antilliaans, en, zegt Anja, «ze kunnen allemaal ontzettend goed dansen en ze weten heel goed wat ze willen».

Met het dansen, concludeert de adjunct, komt het dus wel goed, maar hoe was het bij de anderen? Johan, die zorg draagt voor de beveiliging tijdens het feest, heeft met zijn leerlingen een embleem getekend, voor op een T-shirt, zodat straks te zien is dat ze van de beveiliging zijn, en heeft daarna met ze in de gymzaal «geoefend met fysiek contact». «Ze vonden het allemaal leuk.»

Ikzelf heb de public relations voor mijn rekening genomen en ik had een groep welwillende leerlingen die flink doorgewerkt hebben aan het maken van uitnodigingsposters voor de drie overige gebouwen van onze school, en van uitnodigingsbrieven voor collega’s en buurtbewoners. Jazeker, wij pakken dit feest groots aan. We hebben drie volle dagen van Nieuw Leren om er met de leerlingen aan te werken.

Maar er zijn ook collega’s die het deze dag minder makkelijk hebben gehad. Ze zeggen dat ze er «enorm aan hebben moeten trekken», ze vragen zich af of de kinderen wel geplaatst zijn bij het onderdeel van hun keuze, vinden het lastig te werken met kinderen uit andere klassen, wier naam ze niet kennen, of klagen erover dat voortdurend kinderen over de gangen aan het hollen waren. Inderdaad was het wat minder rustig op school. We hebben gemerkt wat het betekent het klassenverband los te laten, kinderen meer vrijheid en verantwoordelijkheid te geven. Maar dit was natuurlijk nog maar de eerste dag.

Nog geen uur eerder voerde ik met de leerlingen van mijn eigen klas, mijn mentorklas, nu «coachgroep» geheten, een gelijksoortig gesprek. Hoe was de dag voor hen verlopen? Ik voel bij leerlingen niet hetzelfde enthousiasme als bij mezelf. De dikke Khalid, die altijd boos kijkt, zat bij beveiliging. Aan het eind van ons praatuur schrijft hij in zijn logboek: «ik heb gedaan gyme en na het gyme haden we pauze na het pauze ging ik weer naar de gymzaal toen was er een jonge die tegen de deur heeft getrapt en toen had ik straf toen moest ik naar de direcktur toen moest ik strafwerk schrijven»

De Marokkaanse meisjes Hakima en Nabila, aan wie ik mijn handen vol heb, hadden zich voor het onderdeel aankleding opgegeven maar, blijkt nu, zich niet gerealiseerd dat dat de aankleding van de kantine behelsde, ze dachten dat ze mooie kleren gingen maken voor het feest – en ik vraag me af: ben ik het die niet duidelijk genoeg is geweest of hebben ze niet goed geluisterd naar mijn uitleg over wat je bij ieder onderdeel zo ongeveer zou gaan doen. Het is hoe dan ook een les voor de toekomst: leerlingen moeten goed weten waarvoor ze kiezen, anders zit je nog met kinderen die niks willen. Ter adstructie wat Hakima in haar logboek schreef: «het was weer saai en ik wil weg van die vak of wat anders of niets en meester bemoei de hele tijd mee in de kantine Wij mochten wel muziek opzetten hij zij nee En we hebben de slingers eindelijk opgehangen ik zit bij aankleden en ik wil wat anders behalfe dansen en aankleden en amseument en beveleging Ik wil naar catring of begeleding.»

Die ruzie over muziek komt ook bij haar vriendin Nabila terug: «eerst ging het goed en dana ging het niet goed want de morkanse mester hat als verpest ik wil weg van kledin ik wil naar ceterin of bezoeker»

De Marokkaanse meester is het gebouwhoofd, hij moet toezien op de rust en orde in het gebouw – en blijkbaar wilde hij die muziek niet.

Bij de Servische Jelena, ook bezig met die slingers, lees ik ten overvloede hoe gemakkelijk je onze leerlingen voor het hoofd stoot, hoe gevoelig ze zijn voor alles wat ze als afwijzing zien, en wat daarvan het effect is: «eerst ging we slingers op hang en we wilde muziek luisteren en toen kwam die meester hij gingt schreuwen en dat vondt wij niet leuk en ik wil niks ik wil niks ik wil niks doen»