Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool (9)

En toen was er ons Openingsfeest Nieuwe Leren. Het feest zelf was ook georganiseerd volgens de wetten van dat Nieuwe Leren, die voorschrijven dat leerlingen kiezen wat ze willen leren, op het moment dat ze dat willen, enzovoort. Het was gepland op donderdagmiddag van drie tot vijf, maar omdat daags daarvoor een van onze adjunct-directeuren door een broer van een leerling tegen de grond was geslagen, en nu ziek thuis zat, en niemand meer veel zin had in een groot feest, maar er ook niemand was die het feest waaraan de leerlingen toch hard gewerkt hadden wilde afgelasten, hadden we bedacht dat we alleen het woord «feest» zouden schrappen en het feest Opening Nieuwe Leren zouden noemen.

En dus stroomde om drie uur de door leerlingen feestelijk versierde kantine vol, vol leerlingen niet alleen van ons eigen gebouw maar ook een enkel groepje van het nabij zijnde hoofdgebouw en de twee andere gebouwen – uitgenodigd waren alle collega’s, buurtbewoners en alle leerlingen van onze hele school. De directeur sprak een openingswoord, waarin hij nog maar eens wees op het zinloze van zinloos geweld, en daarna voerde een groep Surinaams-Antilliaanse meisjes een dans uit, wat omdat ze zenuwachtig waren mislukte en wat ze op boegeroep van veel leerlingen kwam te staan. De Surinaams-Antilliaanse jongens daarentegen brachten het er beter vanaf, hun dansen had meer iets van een rap-achtig wandelen, en ze hadden er allerlei grapjes in gestopt, hun viel een ovationeel applaus ten deel. En toen werd er eten en drinken uitgedeeld door de kinderen die het onderdeel catering hadden gekozen en toen ging het helemaal mis. De cola en de sinas werd door leerlingen rondgedeeld in plastic glaasjes op dienblaadjes, en er waren leerlingen die het leuk vonden een klap onder zo’n dienblad te geven. Andere leerlingen, die een beker hadden bemachtigd, dronken hun cola niet op maar spuugden hem uit in het gezicht van weer andere leerlingen. Toen men ontdekte dat er hapjes rondgedeeld werden, kleine pizza’s en kleine loempia’s, gebakken door de cateringgroep, ontstond er een run op de plek vanwaar dat alles werd uitgedeeld. Leerlingen die in het gedrang klem kwamen te zitten keken benauwd. Pizza’s en loempia’s werden uit handen gegrist, er werd mee gegooid. De enkele buurtbewoners die gekomen waren, meest ouderen, die zich de tijd vermoedelijk niet meer konden heugen dat ze in een dergelijk tumult terechtkwamen, verlieten haastig en geschokt de school. Flessen cola en sinas werden van de bar gestolen, soms uit de handen van de inschenkende leerlingen gerukt. Ook zij waren verbijsterd, keken geschokt.

En zo bleef driekwart van het eten en drinken onaangeroerd toen we besloten dat het feest, of de opening, nu maar afgelopen moest zijn. Het was nog geen kwart voor vier. Morrend verlieten de leerlingen de kantine, langzaam stroomde men vanaf het schoolplein de straat op. Daar begon het erop te lijken dat er vechtpartijtjes ontstonden, en toen verschillende docenten daar snel heen liepen om een en ander de kop in te drukken, golfde een hele massa nieuwsgierige leerlingen mee naar dezelfde plek. Nu waren ze nog maar moeilijk naar huis te krijgen. Vanachter hun gordijnen keken de inmiddels teruggekeerde buurtbewoners angstvallig toe. In deze sfeer kreeg een onzer het aan de stok met een leerling uit een ander gebouw, die maar niet van het schoolplein af wilde, en nu met een fietsketting in zijn handen klaarstond. De docent, die zich niet wilde laten bedreigen, moest door andere docenten van de jongen worden weggetrokken. Weer andere docenten deden hun best de jongen, om de een of andere reden buiten zinnen van woede, tot bedaren te brengen. Een docente die dit alles van enige afstand aanzag, overgevoelig voor de akelige sfeer om haar heen, sprongen de tranen in de ogen.

Een half uur later was iedereen weg en bleven wij achter met de kater, de schaamte ook, voor de buurtbewoners, voor onze eigen leerlingen. Waarom gaat alles wat wij doen altijd fout? Eenieder was het erover eens dat als wij nog eens iets zouden organiseren, wij dat alleen voor ons eigen gebouw zouden doen.

Mijn eigen leerlingen, met wie ik de volgende ochtend in de klas over het feest sprak, zeiden blij te zijn dat hun ouders niet waren gekomen – en waarom waren wij zo stom geweest leerlingen van het hoofdgebouw uit te nodigen? Ze hadden groot gelijk. En toch, toen ik begon te spreken over de komende projecten, waarvoor zij zich vandaag in moesten schrijven, was er tot mijn verbazing niemand die zei: donder toch op met je projecten. Alsof er niks gebeurd was begonnen ze zich te beraden op de keuze die ze zouden maken. Ik dacht: wat zijn ze toch lief. Wat krijg je toch veel krediet van die kinderen. Ze vinden het maar niks dat ze niet meer uit boeken les krijgen, maar ze blijven toch doen wat je van ze vraagt. Maar dat zal een keer ophouden.