Jongens op het vmbo

Bij ons op school

Soufian is op weg naar de conrector. Ik zie dat aan zijn houding: het hoofd gebogen, afhangende schouders. Ik kom hem tegen in de gang.

«Wat is er aan de hand, Soufian?» vraag ik.

Hij kijkt mij aan met grote, onschuldige ogen. «Ik weet niet, meester…»

«Je moet toch naar de conrector nu?»

«Ja meester.»

«En je weet niet waarom?»

«Ze zeggen dat ik een jongen heb gespuugd, maar —»

Soufian is dertien jaar, een Marokkaan, hij zit in de eerste klas van onze vmbo-school. In normalen doen loopt hij met de borst vooruit, de kin geheven. Hij is iets te dik en nu al is er in zijn houding, postuur en blik iets van de pafferige maffioso. Toch, misschien omdat hij zo onschuldig kan kijken, heb ik een zwak voor Soufian.

«Heb je dan niet gespuugd?»

Hij geeft toe dat hij gespuugd heeft. «Maar ik heb het niet expres gedaan.»

Het kost me moeite niet in de lach te schieten, ernstig te blijven kijken. «Je hebt niet expres gespuugd?»

Hij schudt van nee, met nog altijd die onschuldige blik. «Ik wilde zo spugen, op de grond, maar toen kwam het op die jongen.»

«Waar kwam het dan op die jongen?»

«Het kwam op zijn gezicht, meester.»

Een maand later zit Soufian niet meer bij ons op school, zit ik om de tafel met twee begeleiders van het PPI, het Psychologisch Pedagogisch Instituut, waar wij Soufian naartoe gestuurd hebben, omdat men daar meer mogelijkheden heeft voor jongens als hij. De begeleiders komen melden dat zij Soufian niet meer willen hebben — hij was pas anderhalve week daar. In die korte tijd heeft Soufian zich ook daar onmogelijk gemaakt. Soufian zelf hebben ze niet mee genomen, die hebben ze naar huis gestuurd. Wel hebben ze zijn schooltas met boeken bij zich, een symbolische overdracht van Soufian. «Hier heb ben jullie hem weer terug.»

Er is thuis nogal gerommeld met Soufian, en het lijkt erop dat wij dat nu ook aan het doen zijn. Soufian is de jongste van twaalf kinderen. Zijn vader is in de zeventig, suikerpatiënt en bijna blind. Hij kan niet meer voor zijn zoon zorgen. Zijn vrouw, de stiefmoeder van Soufian, wíl niet voor Soufian zorgen. Daarom woont Soufian bij een broer, die twintig is. Een andere broer van Soufian zit in de gevangenis, die heeft iemand neergestoken. Over deze broer zei Soufian eens tegen mij, trots: «Ze zijn allemaal bang voor hem, meester.» Alle andere gevangenen, bedoelde hij.

Soufian kwam vier jaar geleden naar Nederland, toen zijn moeder stierf. Twee jaar later hertrouwde zijn vader, en werd hij teruggestuurd naar Marokko. Daar werd hij bij een tante ondergebracht, waar het hem niet beviel, want hij liep van huis weg. Toen mocht hij weer terug naar Nederland, waar hij nu weer ongeveer een jaar is, wonend bij die broer.

Er is maar één ding waar Soufian belangstelling voor heeft, en dat is macht. Als hij onze Surinaamse conciërge, die een lieve man is, op straat tegenkomt, loopt hij een stukje achter hem aan, samen met een vriend, en voegt hem toe: «Moet je een pak slaag hebben?» Later, met zijn onschuldige blik, zegt hij dan dat het een grapje was — een grapje van een dertienjarige jongen. Op het PPI pikte hij er ook onmiddellijk de grootste uit, een Turk, en gaf hem een kopstoot. Omdat hij veel kleiner is dan die grote Turk raakte Soufian hem op zijn borst en bleef de schade beperkt. Die Turk, die beter dan Soufian beseft dat als hij op het PPI ook maar iets flikt hij kan vertrekken, deed niets terug. Misschien ook was hij bang voor Soufians reputatie, die van zijn broers, die van zijn familie. Een Marokkaanse vader die zich er bij ons woedend over beklaagde dat zijn zoon was geslagen, en een aanklacht wilde indienen, kwam een dag later speciaal naar school om zich tegenover Soufian — de dader — te verontschuldigen. Speciaal naar school gekomen om het met een dertienjarige jongen weer goed te maken. Een dag was blijkbaar wat hij nodig had om van de reputatie van Soufians familie te horen.

Je pikt ze er zo uit op school: de jongens met wie gerommeld is, of die geen vader hebben, of wier oude ouders in Marokko verblijven en de opvoeding van hun jongste kinderen hebben uitbesteed aan hun oudste kinderen. Ze hebben iets met macht. Ze rebelleren tegen ons, autoriteiten, of zijn druk doende, zoals Soufian, hun kleine koninkrijk op aarde te vestigen, zonder dat wij daar veel van zien. Wat wij daarvan zien, is alleen, telkens weer, die beslist charmante, onschuldige blik.