Berichten uit het onderwijs

Bij ons op school

Rachid is een nog kleine Marokkaanse jongen van veertien jaar. Er brandt vuur in zijn bijna zwarte ogen. Een zo felle blik zie ik bij niet veel leerlingen.

Het is voornamelijk Badre, mijn collega wiskunde, die met hem praat. Ik, die vandaag fungeer als «gebouwhoofd» en over zaken van orde ga, ben daarbij aanwezig en kijk toe. Badre spreekt Arabisch, want Rachid is hier pas een paar maanden. De jongen zit als alle leerlingen in deze dependance in de eerste klas van het vmbo, een zogeheten schakelklas met voornamelijk Nederlands op het programma.

Maar Rachid leeft nog in Marokko. Er is een meisje dat hij scherp in de gaten houdt. Als hij haar in de pauzes in de kantine met jongens ziet praten, vertelt hij dat aan haar broer. Haar broer, die niet bij ons op school zit maar zijn zus iedere dag komt afhalen, zoekt dan die jongen op die zo vermetel was met zijn zus te praten, om hem dat eens en voor altijd af te leren. Zijn zus neemt hij thuis onder handen — die heb ik ook al eens huilend bij mij aan het bureau gehad.

Die broer kan er uiteraard niet mee doorgaan onze leerlingen klappen te verkopen. Maar eerst is Rachid aan de beurt, Rachid, de verklikker. Wat drijft deze jongen? Ik kijk gebiologeerd toe. Het is jammer dat ik het Arabisch niet machtig ben, ik zou wel willen horen wat Rachid telkens, zo fel ook, te antwoorden heeft op wat Badre hem allemaal voorlegt, in welke bewoordingen hij dat doet. Maar ik kan het zo onderhand, na bijna tien jaar lesgeven op een school als deze, ook wel raden.

Het komt hierop neer: dat het een meisje niet past met jongens te praten. De jongens die bij een meisje in de klas zitten, iets dat in Nederland moeilijk te voorkomen valt, dáár mag ze tijdens de les mee praten, maar in de kantine… er zijn toch meisjes om mee te praten, waarom praten met vreemde jongens? Het moet gezegd: veel van de meisjes hier op school onderschrijven deze regel, klakkeloos. Niettemin zie ik ze met jongens praten, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Als ze daarvoor gestraft worden — lees: klappen krijgen — vinden ze dat vaak niet eens onredelijk. Ze zaten nu eenmaal fout, dat wisten ze wel, hadden ze het maar niet moeten doen.

De kloof die ons scheidt van deze meisjes, en van jongens als Rachid, is peilloos diep, dat heb ik inmiddels wel geleerd. En toch bemoeit niet iedereen zich zo fanatiek met zaken die hem niet aangaan als Rachid. Zou hij misschien jaloers zijn op de jongens met wie dit ene meisje praat?

Rachid is zelf zeker geïnteresseerd in meisjes. Soms zie ik hem stoeien in de gang, niet met een van zijn «eigen» moslimmeisjes, maar met een zwart-Afrikaans meisje. Dan pakt hij haar bij haar middel en kietelt haar. Soms gaat hij verder.

Rachid behoort tot het groepje van Marokkaanse jongens dat achter de Poolse Marzena aanloopt. De zestienjarige Marzena heeft borsten, kleedt zich in een strak T-shirt, en geniet van alle aandacht. Een tijdje had ze verkering met een van die jongens. Hand in hand liep ze met Redouan op de gang, en met Redouan verliet ze hand in hand de school. Zou de kleine duivel Rachid zich hebben zitten verbijten?

Marzena is een meisje uit een achterbuurt, Redouan komt zo uit de goot — ik heb me wel verbaasd over de trefzekerheid van Marzena’s keuze. De zeventienjarige Redouan heb ik beter leren kennen toen een Marokkaanse vader zich over hem kwam beklagen. Redouan zei steeds maar «vieze woorden» tegen zijn dochter, een keurig, lief meisje, een nog klein meisje van dertien jaar. In aanwezigheid van haar vader durfde ze de smeerlapperij van Redouan niet te herhalen. In aanwezigheid van die vader kromp Redouan ineen. Het was onmiddellijk afgelopen.

Nu had Redouan dan Marzena. De mentor van Marzena waarschuwde haar op te passen met moslimjongens, die niet altijd evenveel respect hebben voor niet-moslimmeisjes. De verhouding duurde een paar weken, toen had Marzena er zelf ook genoeg van. Toen kwam de Nederlandse stiefvader van Marzena op school, niet alleen om te klagen over een leerling van ons, Redouan, die om tien uur ’s avonds bij hem aanbelde om te vragen «of Marzena thuis was…», maar ook over een andere jongen, die Marzena in de toiletten bij haar borsten had gegrepen.

Wie was die jongen? Marzena wees Rachid aan.