Peter Singer maakte dierenrechten salonfähig

Bij planten zit je altijd goed

Ethicus Peter Singer geldt sinds decennia als de meest vooraanstaande - en controversiële - pleitbezorger van dierenwelzijn. Een gesprek over biologisch vlees, ritueel slachten en obesitas.

Medium peter singer
Peter Singer op een boerderij voor verwaarloosde dieren in de staat New York © Derek Goodwin

HET BEGON ALLEMAAL in 1971, met een bord spaghetti bolognese in de mensa van University College, Oxford. Een jonge Peter Singer zat aan de lunch met een medestudent filosofie. Ze bespraken het college van die middag, over vrije wil en zelfbeschikking. Terwijl Singer zich de pasta met vlees goed liet smaken, at zijn disgenoot alleen wat salade. ‘Ik kende nog niet zoveel vegetariërs in die tijd’, schrijft Singer in zijn korte autobiografie die in 2009 verscheen. ‘Maar die maaltijd zette me aan het denken over hoe wij omgaan met dieren.’

Sindsdien heeft zijn denken over die vraag nooit stilgestaan. Al bijna veertig jaar geldt de Australiër als de meest eminente moraalfilosoof op het gebied van dierenrechten en voedselethiek. Zijn beroemdste boek, Animal Liberation, waarin hij betoogt dat er geen dwingende morele redenen zijn om dieren anders te behandelen dan mensen, werd in twintig landen vertaald. Het werk is al ruim dertig jaar in druk en geldt als de bijbel van de dierenrechtenbeweging. J.M. Coetzee maakte Singer onderdeel van de wereldliteratuur. The Lives of Animals - een verzameling fictieve lezingen van Coetzee’s alter ego Elizabeth Costello - bevat een hoofdstuk geschreven door Singer waarin hij in gesprek gaat met Elizabeth Costello’s dochter.

Het tweede sleutelmoment in de carrière van de filosoof kwam in 1973, het jaar waarin The New York Review of Books een stuk van de toen nog onbekende Singer accepteerde. Het stuk vormde de basis voor Animal Liberation, dat ook bij The New York Review verscheen. ‘Het wordt vaak vergeten, maar dat essay was een bespreking van Animals, Men and Morals, een boek geschreven door vrienden uit Oxford dat volstrekt was genegeerd’, vertelt Singer in het restaurant van de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden, waar hij een aantal lezingen geeft. Ook hier staat de lunch op tafel: veganistische linzensoep en brood met margarine. Singer spreekt - met kenmerkend Australisch accent - tussen de happen door. ‘In die boekbespreking zette ik mijn eigen kijk op hoe we dieren moeten behandelen uiteen. Ik kreeg veel reacties van anderen die zich uiterst ongemakkelijk voelden bij de wijze waarop dieren worden uitgebuit. Toen dacht ik: ik zit op de goede weg.’

DE KERN VAN ZIJN filosofie is even krachtig als eenvoudig: dieren hebben bewustzijn en voelen pijn. Pijn is iets wat zoveel mogelijk vermeden moet worden. Daarom is er geen reden om dieren uit te sluiten van wat hij de ‘morele gemeenschap’ noemt. Wie dat wel doet maakt zich schuldig aan ‘speciecisme’, het idee dat bepaalde diersoorten inferieur zijn aan andere. Het is inconsequent om tegen seksisme of racisme maar niet tegen speciecisme te zijn. En daarmee vervalt de legitimiteit om dieren op te eten, meent de filosoof.

Toch duurde het even voordat Singer zich overgaf aan een volledig dierloos dieet. ‘Vegetariërs waren zeldzaam in Oxford in de jaren zeventig, en het merendeel werd voor volslagen maf versleten’, zegt Singer. ‘Ik was bang dat familie, vrienden, medestudenten en docenten zouden denken dat ik gek was geworden.’

De anekdote toont hoe onze kijk op dieren de afgelopen decennia is veranderd. Toen Singer aan zijn professoren voorstelde een scriptie te schrijven over morele vraagstukken betreffende dieren, werd er zuinigjes gereageerd. Anno 2011 hebben wetenschappers keus uit verschillende peer reviewed-tijdschriften die volledig gewijd zijn aan dierenwelzijn, worden dieren politiek vertegenwoordigd en lenen beroemdheden zich voor de verkiezing tot ‘meest sexy vegetariër’. Het zou te ver gaan om de kiem van al deze ontwikkelingen bij Singer te leggen, maar niemand zal betwisten dat de zoon van Weense joden die in 1938 naar Australië vluchtten de intellectuele grondslagen voor de dierenrechtenbeweging heeft gelegd.

‘Het is in zekere zin toeval dat mijn carrière zo is gelopen’, vertelt hij. ‘Als je me begin jaren zeventig had gevraagd: “Zijn dierenrechten de meest dringende kwestie van dit moment?” had ik nee gezegd. De strijd tegen de Vietnamoorlog, tegen nucleaire wapens, tegen racisme waren zeker zo belangrijk. Maar er waren voldoende slimme geesten die zich op die onderwerpen stortten. Dierenrechten, daar was geen serieuze wetenschapper mee bezig. Er was wel iets van een dierenwelzijnsbeweging, maar die werd voornamelijk gedreven door sentiment. Het waren animal lovers. Als filosoof vond ik dat te beperkt. Het ging mij om basale ethische vragen, relevant voor iedereen die een moreel bestaan wil leiden. Dus stak ik mijn tijd in het doordenken van argumenten waarom we dieren niet moeten mishandelen, opeten of gebruiken voor experimenten en in het ontkrachten van argumenten waarom we dat wel zouden mogen doen. En daarin ben ik succesvol geweest.’

Met dat succes bedoelt hij: het onderwerp dierenrechten salonfähig maken. Het is een bescheiden resultaat, want hoewel niemand meer raar opkijkt van vegetariërs, staat bij het grootste deel van de westerse bevolking nog dagelijks kiloknallervlees op het menu. Teleurstelling daarover laat Singer echter niet toe. ‘Ik heb zeker momenten dat ik me terneergeslagen voel, maar het heeft weinig zin om je te laten deprimeren door omstandigheden in de wereld, dat werk verlammend. Bovendien: ik zie op sommige punten ook vooruitgang.’

Bijvoorbeeld?
‘Er zijn voorbeelden genoeg. In 2008 nam Californië per referendum een wet aan die legbatterijen verbiedt. En andere staten zijn gevolgd. Europa heeft kistkalveren al in de ban gedaan en volgend jaar wordt verboden om zeugen alleen in een hokje te stoppen. Nog niet zo lang geleden waren dit soort verbeteringen de hoop van een absolute minderheid.’
Maar ondertussen worden de zeeën nog steeds leeggevist en komen er megastallen bij.

‘Je moet beginnen bij zaken die het meeste leed veroorzaken en die je kunt veranderen. Het heeft geen zin om al te verhit te raken. Daarom is mijn stijl koel en afstandelijk. Dat past bij filosofen. We gaan uit van het argument, niet van de retoriek. Het is de meest effectieve strategie om te overtuigen. Opgeblazen taal spreekt alleen diegenen aan die toch al overtuigd zijn.’

Het is moeilijk voor te stellen dat deze woorden komen van een man die steevast wordt omschreven als een ‘iconoclast’ en als ‘radicaal’. Singers temperament uit zich blijkbaar vooral op papier. Zo schroomt hij niet om John Rawls, de lieveling van de politieke filosofie, weg te zetten als gemankeerde denker. A Theory of Justice is volgens Singer ‘een saai en veel te lang boek, met een gapend gat in de argumentatie’. ‘Nergens legt Rawls uit waarom rechtvaardigheid het hoogste goed zou moeten zijn’, aldus Singer in zijn autobiografie.

Wie kennis wil maken met Singers radicale gezicht, moet zijn boek The Life You Can Save: Acting Now to End World Poverty lezen. De portee: het is moreel laakbaar om meer geld voor jezelf te houden dan strikt noodzakelijk is voor een behoorlijk bestaan. Singer komt tot deze conclusie door middel van een inmiddels beroemd gedachte-experiment. Stel: je loopt op straat en je treft een kind in levensgevaar. Zou je het helpen, zelfs als dat moeite of geld kost? Natuurlijk zal iedereen ja antwoorden. Waarom laten we dan kindersterfte toe in ontwikkelingslanden? Enkel omdat die niet voor onze ogen plaatsvindt? Die paar duizend kilometer afstand is onvoldoende grond om iemand van zijn morele plicht te ontslaan, volgens Singer. Zelf geeft hij ongeveer twintig procent van zijn inkomen aan goede doelen - niet zoveel als hij zou willen, geeft hij toe.

Toch zijn Singers opvattingen geen dogma’s. Het idee van een kantiaanse imperatief die voorschrijft hoe wij moeten handelen staat haaks op zijn morele opvattingen. ‘Ik ben utilitair in mijn denken. Mensen moeten de keuzes maken die, gegeven de omstandigheden, zo min mogelijk lijden veroorzaken. Dat geldt voor omgang met andere mensen en voor die met dieren. Voor een arme Masai-Afrikaan wiens enige overlevingskans het eten van vee is omdat landbouw niets oplevert, is het geen morele plicht om dieren te sparen. Maar alle mensen die een comfortabel, veilig leven leiden waarin er ruimte is om keuzes te maken over eten, ja, die moeten geen vermijdbaar leed veroorzaken door dieren op te hokken en te gebruiken voor consumptie.’

Insecten, behoren die ook tot de morele gemeenschap?
‘We gaan ervan uit dat insecten, in tegenstelling tot gewervelde dieren, geen bewustzijn hebben. Dus het antwoord op die vraag zou nee moeten zijn. En ja, daarmee komen ze in aanmerkingen om te gebruiken als voedsel. Er bestaat een klein risico dat we verkeerd zitten. Maar als ik moet kiezen tussen insecten of gewervelde dieren op mijn bord, dan kies ik insecten, al zouden planten nog beter zijn. Mijn ethiek draait vooral om de gevolgen van onze keuzes. Bij planten zit je altijd goed.’

En een dier dat een lang, vrolijk leven heeft gehad…
‘Het gaat niet alleen om dieren opeten. De vleesindustrie levert een enorme bijdrage aan klimaatverandering. Dat veroorzaakt evengoed schade aan anderen. Alleen is dat minder zichtbaar. Broeikasgassen leiden tot verandering van regenvalpatronen waardoor op sommige plekken landbouw onmogelijk wordt, bijvoorbeeld. Ook klimaatverandering is een morele kwestie.’
Bij het kiezen wat we in onze mond stoppen, moeten we ons afvragen in hoeverre we anderen schade toebrengen. Dat was ook de boodschap van The Way We Eat: Why Our Food Choices Matter dat Singer in 2006 schreef samen met de journalist Jim Mason. In het boek pluizen Singer en Mason de eetgewoonten van drie Amerikaanse families uit. Bij de eerste staat vooral het SAD, het Standard American Diet van vlees, aardappelen en een beetje groente op het menu. Familie twee bestaat uit ‘gewetensvolle omnivoren’ die voornamelijk biologische producten eten. Het laatste gezin - Singers modelfamilie - eet volledig veganistisch. Onbedoeld laat het boek zien hoe nauw eten en sociale klasse met elkaar verweven zijn. Het SAD-gezin is weinig bemiddeld en doet boodschappen bij voedselgigant Walmart. De veganisten (plus hun pianospelende kinderen) wonen in een vrijstaand huis en shoppen bij voorkeur direct bij de boer. Het kwam Singer op kritiek te staan weinig oog te hebben voor klassenverschillen.

*IS HET WEL FAIR om mensen te vragen hun stukje vlees op te geven? Na eeuwen van standsverschil heeft nu eindelijk iedereen vlees op tafel. *
‘Dat soort sociaal-democratische doelen zijn mooi, maar ook onhoudbaar. Ik neem niet aan dat gelijkheidsdenken ophoudt bij de grens. Daarom kan gelijkheid niet betekenen: iedereen heeft recht op een westers eetpatroon. Als je uitrekent hoeveel akkerland er nodig is om de hele wereld van een vleesrijk dieet te voorzien, hebben we aan één planeet nooit genoeg. Dus als we de hele wereldbevolking goed willen voeden is er maar één oplossing: het verminderen van vleesconsumptie.’

Waarom niet simpelweg een vleesverbod?
‘Ik zou vlees verbieden als ik het voor het zeggen had, althans voor iedereen die een andere keuze heeft. Maar helaas kun je zonder brede steun dit soort maatregelen niet opleggen. Kijk naar de drooglegging in de Verenigde Staten in de vorige eeuw. Er werd gewoon doorgedronken. En voor het alcoholverbod was zelfs veel steun. Nee, het is realistischer om vlees fiscaal te belasten, naar de mate waarin het bijdraagt aan de uitstoot van broeikasgassen.’

De kritiek ligt voor de hand: daarmee wordt vlees een eliteproduct.
‘Dat zit me dwars. Ik hou niet van de gedachte dat rijken toegang hebben tot iets en armen niet. Maar uiteindelijk is dit klassenverschil minder schadelijk dan massale vleesconsumptie.’
Het is Singers bekende methode: morele dilemma’s oplossen door te kiezen voor de minste van twee kwaden. Een van zijn andere favorieten: wijzen op tegenstrijdigheden in iemands morele opvattingen - de basis van zijn verzet tegen speciecisme. ‘Het is de meest gedegen manier van discussiëren. Als belangen of opvattingen conflicteren, wijs ik dat graag uit. En uiteindelijk moet er altijd gekozen worden. Dan geldt: kies de optie die het minste leed veroorzaakt.’

De discussie over onverdoofd ritueel slachten benadert hij op dezelfde wijze. Uiteindelijk wegen de belangen van een kleine groep gelovigen niet op tegen die van een grote groep dieren, meent Singer. ‘De opvatting dat religieuze groepen hun tradities mogen uitoefenen heeft grenzen. We staan ook geen vrouwenbesnijdenis toe. Zolang die tradities niet schadelijk zijn voor anderen, geen probleem. Het is redelijk om te stellen dat onverdoofd slachten meer pijn veroorzaakt dan slachten met verdoving, en daarom uit den boze is. Bovendien: zo'n verbod hindert niemand in het belijden van zijn geloof. Ik ken geen religie die voorschrijft dat mensen vlees moeten eten.’

Singers gewoonte om ieder ethisch dilemma tot in het uiterste te doordenken, levert hem niet altijd vrienden op, zo bleek eind jaren tachtig toen in Duitsland en Zwitserland de ‘Singer-affaire’ speelde. De Australiër reisde door Europa voor een serie lezingen. Op verschillende plekken maakten schreeuwende protestgroepen hem het spreken onmogelijk. In Zürich werd hij fysiek belaagd. Een meute trok zijn bril van zijn hoofd en trapte die kapot. Steen des aanstoots was Singers kijk op euthanasie en abortus. In een notendop: volgens Singer hebben wezens zonder levensbesef er geen belang bij om te leven. En dus is niet alleen abortus verdedigbaar, maar ook het doden van onomkeerbaar comateuze patiënten. Hetzelfde geldt voor ernstig gehandicapte baby’s. Doden is te verkiezen boven ze langzaam te laten sterven aan hun aandoeningen. Vanwege dit soort opvattingen is Singer regelmatig voor nazi uitgemaakt. ‘Bijzonder pijnlijk voor iemand van wie drie van zijn vier grootouders in concentratiekampen zijn omgekomen’, aldus Singer.
Maar tegenover de critici staat een minstens zo grote groep bewonderaars. De dag voor ons gesprek zat het politieke klasje van de Partij voor de Dieren bij Singer in de zaal. Voor de filosoof een teken dat zijn ideeën een nieuwe generatie inspireren. ‘Mensen reageren op de noden van hun tijd. De lichting studenten waartoe ik behoorde dook op burgerrechten. Daarna kwamen generaties die minder bevlogen waren. Dat lijkt nu te veranderen. Ik spreek ongelooflijk veel jongeren die zich druk maken over klimaatverandering, dierenwelzijn en armoede. De groep van gisteren was enorm enthousiast en toegewijd. Als de toekomst in hun handen ligt, is dat zeer hoopgevend.’

In Nederland luidt de kritiek: de Partij voor de Dieren is een one issue-beweging.
‘Ik zie het probleem niet. Waarom zijn dierenrechten te beperkt om een democratische partij op te baseren? Daar zit een zeer smalle opvatting achter over wat een democratie is. Zeker in een meerpartijenstelsel is er ruimte voor dit soort bewegingen. Als een paar procent van de bevolking dierenwelzijn belangrijk vindt en het democratisch recht wil gebruiken om te zorgen dat het parlement daarover debatteert, lijkt me dat heel legitiem.’

Ook tijdens ons gesprek meldt zich een bewonderaar van Singer. Halverwege de lunch staat plots een man aan de tafel die zich bekendmaakt als voorzitter van de lobby voor het recht op vrijwillige levensbeëindiging. Hij overlaadt Singer met lof: ‘Ik zag u laatst op de Belgische televisie. Uw woorden, uw stelling dat er geen hiërarchie bestaat tussen verschillende vormen van leven, geweldig! Kunt u mij helpen? Ik werk aan een petitie, maar mijn woorden hebben weinig invloed. Maar als ik een autoriteit zoals u kan aanhalen…’ Singer staat de man beleefd te woord, maar zijn ongemak is zichtbaar.

U wordt behandeld als een goeroe. Gebeurt dat vaker?
Singer aarzelt. ‘Ach, ik word wel eens herkend, ja. Maar ik voel me niet prettig bij dat woord, “goeroe”. Alsof ik discipelen heb, die doen wat ik zeg. Ik hoop enkel dat mensen lezen wat ik schrijf en dat ze daardoor gaan nadenken over hun leven. Dat is de rol die ik wil spelen.’
*
Terug naar voedsel dan. U schreef The Way We Eat in 2006, net voordat de trend van biologisch eten volop losbarstte. Als goede bedoelingen tellen, gaan we de juiste kant op lijkt me.*
‘Dat komt omdat je voornamelijk naar het Westen kijkt. We zijn de afgelopen vijf jaar inderdaad bewuster gaan nadenken over onze eetgewoonten. Maar elke vooruitgang hier wordt tenietgedaan door de toename van vleesconsumptie in Azië, in China in het bijzonder. De intensieve veeteelt groeit daar enorm, zonder dat er wordt stilgestaan bij de gevolgen voor dieren en het klimaat. Dus over de wereld als geheel ben ik niet zo positief gestemd. Bovendien komen er ook weer nieuwe voedselproblemen bij.’

Zoals?
‘Overmatig eten. Obesitas begint epidemische vormen aan te nemen.’
In uw boek schrijft u dat dikke mensen zich beter moeten beheersen. Is dat niet te simpel? De opvoeding speelt mee, er zijn omgevingsfactoren.
‘Het is niet bedoeld als een oproep aan individuen. Ik probeer de cultuur te veranderen. Als overgewicht iets wordt waar men op neerkijkt, helpt dat de samenleving om te veranderen. Maar sociale en economische factoren moeten wel dezelfde kant op werken. De Verenigde Staten subsidiëren maïsteelt en dus is goedkope fructosestroop beschikbaar als zoetmiddel. Dat is een belangrijke veroorzaker van overgewicht. Het is beter als de prijs van goedkoop, dikmakend voedsel omhoog gaat. Of neem vliegen. Het is ironisch dat je moet betalen voor extra bagage maar niet voor lichaamsgewicht. Mensen zouden moeten betalen voor het aantal kilo’s dat ze aan boord brengen.’

Dit soort zaken ligt zeer gevoelig. Ik kan me de reacties van belangenverenigingen voor mensen met overgewicht al voorstellen.
‘Dat is geen reden om het debat uit de weg te gaan. Het komt onvermijdelijk ter sprake. Ik snap dat het lastig is, maar je kunt niet zeggen: “Het individu is niet verantwoordelijk.” Uiteindelijk leggen mensen zelf eten op hun bord. Natuurlijk, de een wordt makkelijker dik dan de ander. Maar toename van obesitas komt niet door plotselinge veranderingen in onze stofwisseling. De gedachte is al snel: het komt door de opvoeding en daarin moet je ouders vrij laten. Maar wat een kind thuis krijgt voorgezet komt van buiten. Dáár kun je invloed op uitoefenen.’

Moet niet iedereen gewoon meer Singer lezen?
‘Uiteindelijk gaat het om de juiste afweging bij dagelijkse beslissingen. Je moet mensen confronteren met de feiten en hopen dat hun basale morele antenne wordt geactiveerd. Niet iedereen hoeft filosoof te worden om te bedenken dat het verkeerd is als jouw voedselkeuzes anderen schade toebrengen. En anderen, daar horen dieren bij.’