VERKIEZINGEN IN ITALIË

Bij regeerbare meerderheid

De derde verkiezing van Silvio Berlusconi bewijst weer eens dat Italianen kortetermijndenkers zijn. Desastreuze resultaten uit het verleden worden snel vergeten.

ROME – Deze keer hadden de opiniepeilers het bij het rechte eind. Silvio Berlusconi won voor de derde maal in zijn politieke carrière sinds 1994 de verkiezingen en met de voorspelde regeerbare meerderheid. Dat is meteen het enige positieve dat over de uitslag te melden valt. De reputatie van Berlusconi en de krachtsverhoudingen binnen zijn coalitiepartij Volk van de Vrijheid voorspellen zwaar weer, niet alleen voor Italië maar ook voor Europa.

Berlusconi’s winst kan voor een deel op het conto worden geschreven van de electorale comeback van de anti-Europese, chauvinistische en van vreemdelingenhaat doortrokken Lega Nord van de populist Umberto Bossi. Het gevolg: Berlusconi zal meer dan ooit rekening moeten houden met de politieke eisen van Bossi, de man die aan de vooravond van de verkiezingen zijn aanhang opriep om de geweren uit de arsenalen te halen teneinde, volgens hem, verkiezingsfraude van links te voorkomen.

Op zichzelf staat de terugkeer van Bossi’s Lega al garant voor instabiliteit. Het ‘verraad’ van Bossi door plotseling te deserteren uit Berlusconi’s coalitie zorgde er in 1994 voor dat de mediamagnaat al na negen maanden de macht verloor. Zijn tweede regering zorgde voor een naoorlogs record door de rit van vijf jaar vrijwel volledig uit te zitten. Maar dat gebeurde wel in voortdurende crisissfeer door de weifelende steun van Bossi. Bij zijn aantreden in 2001 was Berlusconi nog redelijk pro-Europees en omarmde hij de introductie van de euro. Onder invloed van Bossi veranderde dat in regelrechte sabotage van Europese afspraken over het terugdringen van begrotingstekorten en demagogische uitvallen tegen de ‘linkse bureaucratie’ in Brussel.

Ook in deze verkiezingscampagne ging Berlusconi op de populistische anti-Europese toer. Natuurlijk was Italië in crisis geraakt door de ‘communistische regering-Prodi’, maar als er schuldigen buitenslands moesten worden gezocht, dan was de ‘harde euro’ toch zeker debet aan de prijsstijgingen en financiële misère. In Brussel, dat Prodi een pluim had gegeven voor zijn pogingen om de onder Berlusconi astronomisch opgelopen staatsschuld binnen aanvaardbare normen te brengen, moeten de aanvallen op de Europese Bank met afgrijzen zijn beluisterd. Als het aan de mediamagnaat ligt, komt er zo snel mogelijk een einde aan de onafhankelijke positie van de centrale bank en belandt het primaat over het financiële beleid bij verantwoordelijke en bekwame politici – zoals hij.

Bij een gedesillusioneerd electoraat gaat dit soort taal erin als Gods woord in een ouderling. Als er dan nog hoop moet worden geput, dan liever bij de flamboyante en volkse multimiljardair dan bij de ‘droogkloten’ van links. De Italianen zijn kortetermijndenkers bij uitstek, dus is vooral blijven hangen hoe onder Prodi’s ruziënde tienpartijencoalitie prijzen en belastingen omhoog schoten en lonen en pensioenen fors bij die ontwikkeling achterbleven.

Links draagt dan ook een fikse verantwoordelijkheid voor de comeback van Berlusconi. Tijdens de bijna vijf jaar dat ze aan de macht waren, verzuimden Prodi en zijn opvolger Massimo d’Alema te voorkomen dat lieden als Berlusconi in het regeringspluche hun zakelijke belangen konden veiligstellen. Daarnaast faalden ze in het introduceren van een nieuwe kieswet, die linkse versplintering zou kunnen tegengaan. Dat had een logische oorzaak: de communistische en christen-democratische splinters in zijn coalitie dreigden als kikkers uit de regeringsboot te springen als aan hun voortbestaan werd getornd. Die versplintering was in de hand gewerkt door Berlusconi, die om de in verval geraakte Lega te redden een draconische en ingewikkelde kieswet had afgekondigd.

Maar de grootste fout van Berlusconi’s tegenstanders was hun voortdurende onderschatting van zijn slimheid. Het verlies van 2006 zette hij om in tactische winst. Prodi moest puinruimen en impopulaire maatregelen treffen, terwijl Berlusconi zijn coalitiegenoten voor het blok zette door plotseling de nieuwe partij Volk van de Vrijheid in het leven te roepen. Links reageerde door zes maanden voor de verkiezingen de keurige intellectueel Walter Veltroni als leider van de gloednieuwe Democratische Partij te benoemen, maar het was te laat. Veltroni ontdeed zich handig van de onberekenbare extreem-linkse partijen en kwam met een programma dat weinig afweek van dat van Berlusconi, maar miste tijd en persoonlijkheid om een bedreiging voor hem te betekenen.

Gevolg is wel dat Italië plots een tweestromenland is geworden. De Italianen, het geruzie zat, gaven gehoor aan Berlusconi’s en Veltroni’s oproepen tot het uitbrengen van een ‘nuttige stem’: ze kozen voor een van de twee groten, de talloze splinterpartijen hadden het nakijken. Voor het in links en rechts conservatisme gedrenkte Italië is dat een revolutionaire ontwikkeling. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog zullen er in het parlement geen communisten of socialisten zitten, terwijl van de regelrecht fascistische partijen alleen die van Mussolini’s kleindochter Alessandra het haalde dankzij haar opgaan in Berlusconi’s Volk van de Vrijheid.

En wat nu? Inclusief de voorman zelf telt de regeringscoalitie straks 56 parlementariërs die wegens maffiose of corrupte praktijken zijn veroordeeld of nog in aanvaring met justitie zijn. De enige rem op financiële strapatsen van Berlusconi – die de kiezers paaide met onzinnige beloften als afschaffing van de wegenbelasting, forse belastingvermindering en het overeind houden van de bankroete nationale luchtvaartmaatschappij Alitalia – is de internationale recessie. Italië, afgegleden naar de onderste regionen in economisch Europa, kan zich, op straffe van een totaal bankroet, niets meer veroorloven.