Chaos in Oost-Congo

‘Bijna dood, maar vrij!’

Enkele weken terug werd de Congolese mensenrechtenactivist Sylvestre Bwira Kyahi ontvoerd (zie De Groene van 1 september). Inmiddels is hij vrij, maar zijn leven is ernstig in gevaar. ‘Ik hou van mijn land, maar ik kan even niet meer.’

ERGENS TUSSEN de honderden soldaten die de afgelopen weken het Oost-Congolese mijnstadje Walikale binnenstroomden, moet Bosco Ntaganda zijn: de ontvoerder van de mensenrechtenactivist Sylvestre Bwira. Ntaganda, voormalig rebellenleider en nu officier in het reguliere Congolese leger, moet het mijngebied in Oost-Congo zuiveren van zijn eigen officieren die zich rijk roven aan de grondstoffen. Sinds president Kabila op 11 september alle mijnactiviteiten opschortte in Oost-Congo dreigt de situatie verder uit de hand te lopen.
Op 24 augustus werd de Congolese mensenrechtenactivist Sylvestre Bwira Kyahi ontvoerd. Ik ken Sylvestre sinds we vorig jaar samen een maand lang de grondstoffenhandel in Noord-Kivu in kaart probeerden te brengen. Ook dit jaar hadden we afgesproken: in september zouden we projecten van zijn organisatie bezoeken in een paar van de meest problematische districten van Congo: Walikale en Masisi. Daar staken zijn ontvoerders een stokje voor.
Sylvestre, woordvoerder van alle burgerorganisaties in Masisi, werd ontvoerd nadat hij op 30 juli een open brief had geschreven aan president Kabila. Daarin vroeg hij de president iets te doen aan de CNDP-rebellen in zijn gebied.
Het CNDP (Congrès National pour la Défense du Peuple) bepaalt er het leven van alledag en de rebellen nemen wat ze hebben willen: goederen, oogsten en mensen. Voor alle duidelijkheid: deze voormalige Tutsi-rebellen uit Rwanda maken sinds anderhalf jaar deel uit van het reguliere Congolese leger. In de legerpraktijk van alledag echter negeren deze CNDP-soldaten hun meerderen in Kinshasa, ze gehoorzamen alleen bevelen van hun eigen CNDP-officieren.
Ook in buurdistrict Walikale maken deze Tutsi-rebellen in de uniformen van het Congolese leger de dienst uit. Een groot aantal officieren kreeg bevel tot overplaatsing, maar weigerde dat op te volgen. Niet verwonderlijk: Walikale is het district van de grootste mijn in Oost-Congo. De officieren zijn niet van plan deze lucratieve plek te verlaten. Zij krijgen een constante stroom cassiteriet (tinerts) aangeleverd van hun ‘kleine broertjes’ bij de mijn. In zijn open brief vroeg Sylvestre de president daarom ook iets te doen aan de aanwezigheid van CNDP-officieren als Bosco Ntaganda, ook wel de Terminator genoemd. Tegen Ntaganda loopt een arrestatiebevel van het Internationaal Strafhof vanwege zijn aandeel in een massaslachting en het ronselen van kinderen.

DRIE WEKEN na publicatie van de brief werd Bwira in Goma door de CNDP ontvoerd. Vrienden, familie, de VN-vredesmacht Monusco en de Congolese regering startten een zoektocht, overigens zonder al te veel hoop. Ze ontvingen al snel dreigtelefoontjes: 'Waarom zoek je naar hem? Hou ermee op, anders ga jij ook dood’, kreeg de jongere broer van Sylvestre te horen.
Zeven dagen na zijn ontvoering kreeg ik een ongelooflijk sms'je: Presque mort, mais libre!!! Sylvestre was meer dood dan levend langs de kant van de weg gedumpt, had een voorbijganger aan weten te houden en was in vliegende vaart naar het gewone ziekenhuis in Goma gebracht. Een paar dagen later zou Sylvestre, zwaarbewaakt, worden overgebracht naar het beveiligde hospitaal van VN-macht Monusco.
Van daaruit vertelt hij bijna elke dag met telkens bijna identieke woorden zijn verhaal, als een mantra: 'Ik was op weg naar een collega toen een auto stopte. Ik kreeg een geweer tegen mijn zij en moest met mijn rug op de bodem van de jeep gaan liggen en zag dus alleen het dak. Mijn handen werden vastgebonden. Ik werd naar een huis gebracht, daar heb ik in de kelder urenlang tegen een paal vastgebonden gestaan. ’s Nachts moest ik weer in de auto en we hebben heel lang rondgereden. Toen we aankwamen hoorde ik dat er eigenlijk geen ruimte voor me was. Alle gaten in de grond waren al bezet. Ik werd toen in een half afgegraven gat gezet. Daar bleef ik een dag. ’s Avonds reden we weer urenlang. Ik merkte dat we een heuvel op gingen en weer af. Ik werd in een hok geduwd. Het stonk en het was er erg glibberig; ik dacht dat het modder was. Ik voelde om me heen en vond wat stokken. Daarop ben ik toen gaan zitten. De volgende ochtend kwam er wat licht in het hok. Ik zag toen dat de modder geen modder was, maar dat het rottende lijken waren. De stokken bleken botten. Er waren nog twee mensen in het hok. Eén kon niet meer praten. De ander vertelde dat we hier niet levend vandaan kwamen en dat ik niet hoefde te rekenen op eten en drinken. Ik werd die dag ondervraagd. Blijkbaar heb ik dat goed doorstaan, want twee dagen later werd ik vrijgelaten. Ik ben wel bang voor de injectie die ze me gaven. Niemand weet wat erin gezeten heeft.’
Wat Sylvestre niet vertelt is dat hij elke dag werd geslagen en geschopt. Dat hij talloze messteken had in zijn lichaam. Dat hij nauwelijks te eten en te drinken kreeg. Dat zijn ontvoerders hebben gezegd dat ze hem twee weken respijt geven; dat hij voor altijd van hen is, waar hij ook is. En dat hij sinds de injectie last heeft van misselijkheid, duizelingen en hartkloppingen. Wat Sylvestre ook niet vertelt omdat hij het niet weet: zijn ontvoerders hangen al weer rond voor het zwaar beveiligde hospitaal van Monusco.

OF KABILA zich iets heeft aangetrokken van de open brief van Sylvestre is lastig te achterhalen, maar twee weken na zijn ontvoering schort de president alle mijnactiviteiten op in de drie oostelijke provincies. Met de maatregel wil hij het gebied zuiveren van onwillige CNDP'ers en andere rebellengroepen. Direct daarop begint een grote stroom burgers de tocht naar Goma en Bukavu, op zoek naar ander werk nu er in de mijnen niets te verdienen valt. Tegelijkertijd stroomt Walikale verder vol met troepen van het reguliere Congolese leger, grotendeels bestaande uit de Tutsi’s van het CNDP. Er wordt een offensief voorbereid tegen de Hutu-rebellen van het FDLR.
Het is in deze gistende chaos dat mijn Monusco-helikopter landt op het door de VN-vredesmacht zwaarbewaakte voetbalveld van Walikale. Ik wil praten met collega’s van Sylvestre en zien wat hij in dit probleemgebied voor elkaar heeft gekregen. Er is geen andere manier om het gebied te bereiken. Vliegtuigen landen niet meer op het vliegveld (een stuk weg tussen het dorp Walikale en Mubi, het dorp dat de ingang vormt naar de mijn Bisie) sinds twee piloten werden ontvoerd en één vermoord. De wegen naar Goma en Bukavu zijn al lange tijd onberijdbaar slecht.
Twee collega’s van Sylvestre wachten me op: hoogleraar en landbouwdeskundige Charles Hangi en voormalig mijnwerker Byombe. Charles is er voor de informatie, Byombe is mijn bodyguard. Zij trekken zich niets aan van alle soldaten die in groepjes rondhangen, geweer over de schouder, sommigen met mortieren op de rug. Zij kijken ook niet vreemd op als van een grote vrachtwagen tientallen kisten met ammunitie worden geladen. En ze kijken zeker niet vreemd op als een politieagent een duw krijgt van een soldaat. De agent reageert nauwelijks. Hij is bang.
Hij is niet de enige. De bewoners vrezen voor hun inkomsten, voor hun bestaan, hun huis, hun kinderen. Ze weten dat zij ook in deze slag het slagveld vormen. Ze worden verkracht, vermoord. Hun huizen worden geplunderd.
Charles en Byombe hebben een slaapplaats voor me geregeld in het parochiehuis van Walikale. Lekker vredig, denk ik als ik de poort binnenkom en enkele kippen zie scharrelen. Een uur later stroomt de binnenplaats vol militairen en neemt een gewichtig uitziende man het overdekte terrasje in bezit. Het blijkt Didier Etumba te zijn, opperbevelhebber van het Congolese leger. Ook buiten de poort wemelt het van de soldaten. Ik neem me voor mijn slaapkamerdeur, die rechtstreeks grenst aan de binnenplaats, driedubbel op slot te draaien. Etumba is gekomen om orde op zaken te stellen en de onwillige CNDP-officieren aan te pakken, zo blijkt de volgende dag. Ook kondigt hij (voor de zoveelste keer) een offensief aan tegen de Hutu-rebellen. Charles en ik besluiten ergens anders over Sylvestre te praten, hier hebben de muren honderd paar oren.
Het gaat niet goed met Sylvestre. Het Monusco-ziekenhuis in Goma bleek niet veilig genoeg en hij is een paar dagen geleden overgebracht naar Kinshasa, waar hij is ondergedoken bij vrienden. Sylvestre moet dringend onderzocht worden op de mogelijk giftige stoffen die de rebellen hem hebben ingespoten, maar het ziekenhuis in de hoofdstad heeft daarvoor slechts beperkte mogelijkheden. Monusco wil hem naar Zuid-Afrika overbrengen. Sylvestre weigert categorisch: Zuid-Afrika is niet veilig vanwege het grote aantal CNDP'ers en CNDP-aanhangers in het land. Ik bel met de Nederlandse ambassade in Kinshasa: kunnen zij Sylvestre niet uitnodigen om te herstellen in ons land?

PROFESSOR CHARLES, bodyguard Byombe en ik rijden naar de enorme moestuinen van Beed, de organisatie waar Sylvestre president van is. Hier in Walikale probeert Beed de mensen aan de landbouw te krijgen. Ze zijn er sinds drie maanden en het moment hadden ze niet beter kunnen kiezen, met de sluiting van de mijnen. Volgens Charles levert de landbouw veel meer op dan het delven van grondstoffen. 'Een mijnwerker verdient zo'n drie dollar per dag. In drie maanden kan hij dus zo'n driehonderd dollar verdienen, maar dan moet hij elke dag werken. Een boer kan in drie maanden tijd kolen, tomaten en aubergines planten en oogsten. Daarmee verdient hij zo'n vijftienhonderd dollar, heeft de weekenden vrij en kan tussendoor ook nog wel eens een dagje ziek zijn.’
Charles geeft elke zaterdagochtend 'moestuinles’. De belangstelling is groot, zegt hij, maar het kost tijd om mensen te overtuigen. Charles is blij met de mijnsluiting: 'Een mijnwerker heeft geen toekomst. De jongens stoppen vroeg met school om in de mijn te kunnen werken, maar zijn met hun dertigste vaak al opgebrand. En wat kunnen ze dan? Juist, niets!’
Bodyguard Byombe moet lachen. Hij wijst op zichzelf. Hij was zo'n mijnwerkersjongen en sliep twee maanden lang naast zijn mijngat. Zijn eten scharrelde hij bij elkaar bij de stalletjes langs de weg. 'Er waren altijd veel soldaten bij de mijn. Ik moest regelmatig afstaan wat ik die dag had gevonden. En elke dag gebeurde er wel een ongeluk. Dan stortte er weer een mijngang in of zo.’ Byombe hield het na twee maanden voor gezien en ging naar Goma, op zoek naar een ander bestaan. Hij kwam bij Beed terecht en werkt nu in de moestuin in Walikale.
Ons gesprek wordt afgebroken als een jongen komt aanhollen. Blijkbaar wordt er gevochten in het dorp. We horen geen schoten. Charles besluit me via een omweg terug te brengen naar het parochiehuis.

OPPERBEVELHEBBER Etumba zit nog steeds op het terras, omringd door een aantal officieren. Ik vraag Charles of hij Bosco Ntaganda ziet, Sylvestre’s ontvoerder, maar het is te donker om de gezichten te kunnen onderscheiden. Net als ik mijn muskietennet over mijn muffig ruikende bed heb gedrapeerd, belt Sylvestre.
Hij wil graag praten met de Nederlandse ambassade, maar heeft het idee dat Monusco dit verhindert. Ik bel de ambassade. Zijn vermoeden blijkt te kloppen: de ambassade mag van Monusco Sylvestre niet bezoeken. Als reden wordt gegeven dat hij medisch wordt onderzocht.
De volgende ochtend rijden we naar Mubi, het dorp dat fungeert als entree voor de mijn Bisie, tachtig kilometer verder en alleen te voet te bereiken. Ik wil met eigen ogen zien wat de mijnsluiting voor gevolgen heeft voor het dorp. Onderweg passeren we het helikopter-voetbalveld. Daar staan militairen en politie geduldig te wachten tot de opperbevelhebber hen ernstig komt toespreken. Of die toespraak indruk zal maken is de vraag. Het is ook de vraag of de schorsing van de mijnactiviteiten kan worden gehandhaafd.
Het reguliere leger zal permanent toezicht moeten houden, en officieren moeten de verlokkingen van goud en cassiteriet kunnen weerstaan. Nu al klagen de mijnwerkers dat zij niet meer mogen werken, maar dat er nog steeds militairen, CNDP'ers, grondstoffen delven.
Ook van de civiele autoriteiten is niet veel te verwachten. Die zijn krachteloos, onderbemand en straatarm. De enige officier van justitie in het gebied en tegelijk gevangenisdirecteur ziet het allemaal niet meer zitten. Hij heeft geen geld voor de 44 soldaten en burgers die in zijn gevangenis zitten. Er is geen dokter, de gevangenen slapen op de cementen vloer en krijgen één keer per dag te eten. Veel zitten al meer dan zes maanden in voorarrest: hun dossier wacht op de komst van de rechter uit Goma. Of 44 gevangenen niet erg weinig zijn in een gebied waar dagelijks wordt geplunderd, afgeperst en verkracht? De directeur haalt zijn schouders op: 'Ik heb geen mensen en geen geld. Ik denk er zelfs over om er een paar vrij te laten. Die zitten al te lang in voorarrest.’

HET STREEKZIEKENHUIS is er misschien nog wel erger aan toe dan de gevangenis. De directeur geeft toe dat mensen hier naartoe komen om te sterven, niet om te genezen. Er zijn geen medicijnen, er is geen apparatuur. De snijtafel is verroest en staat er sinds de Belgen in de jaren vijftig het hospitaal bouwden. Hier meldde zich de afgelopen tijd een aantal slachtoffers van de massaverkrachtingen in vijf dorpen niet ver van Walikale. De zaak trok internationaal veel aandacht omdat de verkrachtingen ongeveer onder de ogen van VN-macht Monusco plaatsvonden. Monusco reed zelfs door een dorp terwijl de rebellen er waren. Niet alleen de vrouwen, ook mannen en kinderen werden verkracht door soldaten van vrijwel alle strijdende partijen.
Charles weet waarom Monusco faalde: 'Ze hebben geen contact met de bevolking, ze blijven keurig in hun wachtpostjes.’
Als we bij het mijndorp Mubi aankomen, lijkt er niets aan de hand. Winkeltjes zijn open, hier en daar liggen hoopjes cassiteriet op stukken plastic. In een hutje wordt het tinerts gescheiden van de aarde met een magneetje. Volgens Charles betreft het de afwikkeling van partijen die al waren gedolven. 'Een paar weken geleden woonden hier nog vijftienduizend mensen en was het echt veel drukker.’ Bij de ingang naar de mijn, een slagboom en een houten hut, hebben zich veel mijnwerkers verzameld. Als wij aankomen, vallen ze stil en kijken mij wantrouwig aan. Blanken zijn hier niet welkom. Lijfwacht en oud-mijnwerker Byombe laat ons snel omkeren.
Onderweg naar de helikopter voor de vlucht terug naar Goma zegt ook Charles met klem dat Sylvestre niet naar Zuid-Afrika kan: 'Hij moet zo snel mogelijk naar een land buiten Afrika.’ Hij weet dat ik samen met een bevriende advocaat probeer Sylvestre naar Nederland te halen en dat ook de ambassade haar best doet, net als het ministerie van Buitenlandse Zaken.
In de twee weken daarop gaat het bergafwaarts met Sylvestre. Uit eerste onderzoeken blijkt dat hij in ieder geval heroïne kreeg ingespoten. Hij is moe, bang en voelt zich ziek. Zijn wantrouwen jegens Monusco is sterker geworden. Het ondergedoken zijn begint hem op te breken. Na een lang gesprek met de Nederlandse ambassade vraagt Sylvestre officieel asiel aan. Op de dag dat het nieuwe kabinet op de bordestrappen staat, arriveert zijn aanvraag op het bureau van de nieuwe minister van Justitie. Als alles goed gaat weet Sylvestre binnen een week of hij naar Nederland kan of niet. Als ik het Sylvestre vertel, is hij zeer geëmotioneerd. 'Eigenlijk ben ik treurig: wat voor zin heeft mijn leven nog als ik niet kan vechten voor mijn land? Ik hou van mijn land, maar ik kan even niet meer.’ Wat later komt zijn strijdbaarheid weer naar boven: 'En toch geef ik niet op.’ Hij denkt er zelfs over om mee te gaan doen met de presidentsverkiezingen in november 2011.