Bijna vergeten antisemitisme

Raymond van den Boogaard blogt op ongezette tijden over de boeken die hij zoal leest. Deze week: een vergeten antisemitische campagne in Polen.

Dat er in Polen sprake is geweest van een officiële antisemitische campagne die heeft geleid tot de min of meer gedwongen emigratie van dertienduizend joden, zou ik misschien niet hebben geweten als ik in 1982 in Warschau niet iets gezien had dat voor mij onvergetelijk is gebleken: in een kamer waarvan de deur een beetje open is, staat een oude man – zich onbespied wanend – gebogen over een versleten uniform dat op de eettafel ligt, onder de lamp. Hij is bezig de knopen van zijn uniform te poetsen omdat hij, voor het eerst in vijftien jaar, is uitgenodigd weer aan een militaire ceremonie deel te nemen.

Die man was een Poolse generaal die, in het kader van een ‘antizionistische’ – lees: antisemitische – campagne die uitging van de Poolse communistische partij (POUP) in 1967 was weggezuiverd, ofschoon hij niets van doen had met jodendom of Israël, alleen van joodse origine was. Ik was in zijn woning om kindertekeningen af te leveren.

De generaal had twee zoons. De jongste was actief in de dissidentenbeweging KOR en had – naar verluidt – in de kelder van de villa waar de generaal met zijn vrouw woonde – en die nota bene op het garnizoensterrein stond – een stencilmachine staan voor de vermenigvuldiging van oppositionele geschriften. De generaal die voor de oorlog in Polen al deel had uitgemaakt van de communistische ondergrondse deed net alsof hij dat niet wist. Hij was weliswaar nog steeds overtuigd communist en loyaal aan het regime dat hem in 1967 aan de kant had geschoven – maar hij was geen verrader.

Zijn andere zoon woonde in het westen en was daar zeer actief met het bekendmaken van de Poolse dissidentenbeweging. Hij gold daarom als staatsgevaarlijk bij de autoriteiten in Warschau en mocht zijn geboorteland niet meer in. Ook aan zijn vrouw werd een visum geweigerd, alsmede aan hun dochtertje, dat nog een kleuter was. Als gevolg daarvan hadden de oude generaal en zijn eveneens bejaarde echtgenote nog nooit hun enig kleinkind kunnen ontmoeten, terwijl ze daar hartstochtelijk naar verlangden.

Omdat het alweer zo lang geleden is, dreigen we soms te vergeten hoe lelijk de politiestaten van het Oostblok konden zijn. Op een dag nam de vrouw van de in het westen wonende zoon met haar kind het vliegtuig naar Warschau, wel wetend dat ze zonder visum niet tot Polen toegelaten zouden worden. De hoop was dat de generaal door de ruiten van de aankomsthal zijn kleindochter zou kunnen aanschouwen, voordat moeder en kind weer op het toestel teruggezet zouden worden. De wakkere grenswachten van de Poolse Volksrepubliek wisten deze aanslag op de nationale soevereiniteit echter te voorkomen – vermoedelijk omdat er per telefoon afspraken over waren gemaakt. Moeder en kind bleven buiten beeld voor de oude mensen die achter de ruiten van de aankomsthal wachtten.

Om toch nog een beetje contact te leggen tussen kleinkind en grootouders gaf de oudste zoon af en toe kindertekeningen mee aan reizigers naar Polen. Ik was zo’n reiziger, als journalist. En zo kwam het dus dat ik begin 1982, toen Polen werd bestuurd door een militaire junta die een einde moest maken aan de arbeidersopstand van Solidarność en er een avondklok was ingesteld, een Pools garnizoensterrein betrad. Er was wel een wachtpost, en er was zelfs een slagboom, maar mijn papieren werden niet gecontroleerd. Mijn bezoek was onaangekondigd – opbellen was geen optie, om dezelfde reden waarom de kindertekeningen niet per post konden worden opgestuurd.

De vrouw van de generaal deed open en was blij verrast met de kindertekeningen. Ze ging thee zetten en haar man roepen, zei ze, en deed mij op een stoel plaatsnemen. Op dat moment zag ik door de openstaande deur de generaal met zijn uniform in de weer. Ik heb de betekenis van dat moment pas later ten volle begrepen. De generaal, een overtuigd communist dus, had deel uitgemaakt van het Rode Leger dat vanuit de Sovjet-Unie Polen op de Duitsers had heroverd en daarbij ook meteen het communistische regime had gevestigd.

In 1967 versloeg Israël zijn arabische buurlanden en verviervoudigde zijn territorium. De Sovjet-Unie zag een kans om een rol te spelen in het Midden-Oosten. Op last van Moskou verbraken alle landen van het door de USSR gedomineerde oostblok de diplomatieke betrekkingen met Israël (behalve dwarsligger Roemenië) en veroordeelden ‘zionisme’ als een nieuwe manifestatie van ‘imperialisme’.

In Polen was, tot dan toe, antisemitisme vooral iets geweest van rechtse nationalisten. En van de nazi’s natuurlijk – de jodenvervolging van de jaren veertig had in deze streken radicaal een eind gemaakt aan de joodse cultuur en de meeste joden waren vermoord. Het lijkt aannemelijk dat de overlevenden die daadwerkelijk zeer gelovig waren of warme sympathie koesterden voor Israël of het zionisme na de oorlog Polen hadden verlaten – hun was daarbij trouwens door de Poolse staat geen strobreed in de weg gelegd.

De blijvers voelden zich niet zozeer joods alswel Pool, als ze zich al van hun joodse achtergrond bewust waren. En ze waren ook vaak communist en lid van de partij, want net als overal elders in Europa hadden joden in de eerste helft van de twintigste eeuw in het communisme – dat atheïstisch was en gericht op gelijkheid van alle mensen – een ideologie gezien waarmee stigma’s en maatschappelijke achterstelling overwonnen konden worden.

De Poolse partijleider in 1967, Władysław Gomułka, was in 1956 aan de macht gekomen met de belofte van liberalisering van de samenleving, maar had deze verwachting niet waargemaakt. Aan de top van de partij woedde al jaren een richtingenstrijd met meerdere facties, tussen autoritaire ‘stalinisten’ en meer liberaal ingestelde communisten. In deze context besloot Gomulka de door Moskou verordonneerde ‘strijd tegen het zionisme’ te baat te nemen voor een binnenlandse campagne.

In een toespraak wees hij de ‘zionisten’ in de Poolse samenleving aan als zondebok voor de tekortkomingen in het Poolse socialisme. Zij vormden de ‘Vijfde colonne’ die zijn ondermijnend werk deed in de partij, de pers, de wetenschap, het culturele leven, het onderwijs en de economie. Zij moesten worden weggezuiverd. Naar goed communistisch gebruik werden er overal in het land bijeenkomsten georganiseerd waar arbeiders en andere werkenden krachtig ingrijpen tegen de zionisten eisten. Hier een foto van zo’n bijeenkomst in de mijnstad Nowa Huta. ‘Zionisten naar Israël’ staat op het plakkaat vooraan. Links daarvan: ‘De arbeiders kennen geen vergiffenis voor provocateurs en onruststokers’. (Tekst gaat verder onder de afbeelding)

Omdat overtuigde zionisten natuurlijk schaars waren, wist iedereen dat met ‘zionisten’ joden werd bedoeld. Voor hen, begrepen vriend en vijand, was er voortaan in Polen geen plaats meer. In de maanden na Gomulka’s toespraak werd op grote schaal aan joden het lidmaatschap van de partij ontnomen en omdat partijlidmaatschap een voorwaarde was voor vrijwel elke maatschappelijke kaderfunctie, werden joden vervolgens ontslagen – uit de legerleiding, de media, de bestuursorganen, het onderwijs etc.

Er bestaat een aardig boek van de Poolse schrijfster Agata Tuszyńska waarin zij beschrijft hoe een groep Poolse jongeren in 1967 reageert op deze ontwikkelingen. Voor geen van hen is hun joodse afkomst een belangrijke of bepalende factor in hun leven – sommigen zijn daarover door hun ouders trouwens volstrekt in onwetendheid gelaten. Dat je van de ene dag op de andere moet begrijpen dat er voor jou als jood weinig of geen toekomst is in Polen, is een grote schok – voor ouders en kinderen. Daar komt nog bij dat, naast de officiële zuiveringen in het openbare leven, ook veel gewone Poolse burgers op straat hun kennelijk latente antisemitische gevoelens de vrije loop laten.

De ‘antizionistische’ campagnes namen in 1968 nog in intensiteit toe. In maart van dat jaar is er aan de universiteiten een studentenopstand die enigszins te vergelijken is met de zogeheten ‘Praagse Lente’ in Tsjechoslowakije: men eist meer intellectuele en andere vrijheden, minder censuur en meer ‘echt’ socialisme en dergelijke. De beweging wordt onderdrukt, met inzet van politie tegen betogingen en alweer zuiveringen. Ook daarbij krijgen joden het verwijt een soort Vijfde colonne te zijn. Hier een foto van politieoptreden tegen een betoging in Warschau. (Tekst gaat verder onder de afbeelding.)

Van de door Tuszyńska beschreven vriendengroep besluiten de meesten tussen 1967 en 1973 Polen te verlaten – de staat laat dat toe, al verliest de emigrant bij vertrek zijn Poolse paspoort en staatsburgerschap. Slechts een enkeling gaat naar Israël, de anderen komen terecht in landen als Zweden en Denemarken, een enkeling in de VS.

Het lot van de balling is hard, vooral voor wie het gevoel heeft te worden afgesneden van land en cultuur waarvan hij zich deel voelt. Jarenlang is het Gdańsk-station bij Warschau een plaats van hartverscheurend afscheid voor wie voor eeuwig, lijkt het, de trein naar het westen moet nemen, weg van familie en vrienden, weg van taal en cultuur, een ongewisse toekomst tegemoet. De mate waarin de door de hele wereld verspreide vrienden in hun land van ballingschap weten te aarden, verschilt, maar bijna nooit gaat dat zonder melancholie, blijkt bij Tuszyńska.

Een enkeling blijft in Polen, dat na 1980 een geleidelijke ontwikkeling in de richting van vrijheid en democratie doormaakt. De rehabilitatie van de oude generaal in 1982 houdt verband met een episode uit deze geschiedenis vol tegenstrijdigheden. In 1981 was er in Polen een breed gedragen volksopstand rond de nieuwe onafhankelijke vakbond, Solidarność. In december van dat jaar werd de macht gegrepen door een militaire junta, onder leiding van generaal Wojciech Jaruzelski. Die kondigde de noodtoestand en een avondklok af, om het communistisch regime overeind te houden en misschien ook – dat is omstreden – om te verhinderen dat de Sovjet-Unie met troepen zou ingrijpen, zoals in Hongarije in 1956 en in Tsjechoslowakije in 1968 was gebeurd.

Jaruzelski, die enkele jaren als een dictator regeerde, had in Polen uiteraard weinig vrienden. En zo kwam het dat de oude generaal weer van stal werd gehaald – Jaruzelski kon niemand missen. Gelukkig was het een paar jaar later in Polen allemaal voorbij met communisme en dictatuur. De ‘antizionistische’ campagnes waren eind 1968 al gestaakt, maar de vertrouwensbreuk tussen de Poolse staat en zijn burgers van joodse origine was toen al een feit. In 2018 heeft de Poolse president, Andrzej Duda, voor de antisemitische campagnes in de jaren zestig officieel excuses aangeboden. Maar jaren daarvoor al had de oude generaal, op het nippertje, zijn kleindochter nog in de armen kunnen sluiten.


Agata Tuszyńska, Affaires personnelles (Vertaald uit het Pools door Isabelle Jannès-Kalinowski), l’Antilope, Parijs, 2020