Bijrollen

Zoals er Oscars bestaan voor beste bijrol, zo zou er ook een prijs moeten komen voor het beste bijpersonage, een prijs voor figuren die maar een paar keer in een boek opduiken en toch diepe indruk maken. Hippolyte uit Madame Bovary, die zich door Charles aan een horrelvoet laat behandelen, wat een triomf lijkt van de medische wetenschap, maar uiteindelijk omslaat in het tegendeel. (Bij Emma’s begrafenis horen we z’n houten been de kerk in komen bonken, als echo van dat echec; zulke details, dát is schrijven!) Of Wendell Kretzschmar, de musicoloog uit Thomas Manns Doktor Faustus, met z’n waanzinnige theorieën over Beethovens laatste sonates.

Hoog in mijn nominatielijst zou Elsie Norris eindigen, uit Oranges Are Not the Only Fruit (1985), het debuut van Jeanette Winterson. Binnen de sektarische religieuze verstikking waarin hoofdpersoon Jeanette probeert op te groeien, is deze Elsie de enige warmtebron, die haar ook nog eens in contact brengt met de wereldse kunst en de poëzie.

Maar nu lees ik het autobiografische boek Why Be Happy When You Could Be Normal (2011). Over Elsie schrijft Winterson daar: ‘Ik gaf haar een plaats in het verhaal omdat ik het niet kon verdragen haar erbuiten te houden. Ik gaf haar een plaats in het verhaal omdat ik echt wenste dat het zo geweest zou zijn. Als je een eenzaam kind bent, zoek je een denkbeeldige vriendin. Er was geen Elsie. Er was niet zo iemand als Elsie. Het was allemaal veel eenzamer.’

Even voelde ik me bedrogen. Géén Elsie? Nom de Dieu. Maar Oranges is toch een autobiografische roman? ‘No not at all and yes of course’, antwoordt Winterson in een later voorwoord.

Denkbeeldige vriendin, wensdroom… dat mag allemaal zo zijn, voor mij als lezer is Elsie niet denkbeeldig. Ze bestaat in de roman omdat ze daarin een duidelijke functie heeft: tegenhanger van de verstikkende moeder. Elsie is de vertrouwelinge, de welwillende gids en de inwijdster in de wereld van de kunsten. Elsie is in Jeanette’s hel wat Vergilius is in die van Dante. ‘Er was niet zo iemand als Vergilius’, zal Dante op een dag schrijven. ‘Het was allemaal veel eenzamer.’

Of iemand Wintersons jeugd verlichtte als fantasievriendin zal mij worst wezen. Ik heb niet met die jeugd te maken, maar met een roman, en die stelt eigen wetten. Het Elsie-personage is daarin even onvermijdbaar als een kussen op een bed.

Nu ik Oranges en Waarom gelukkig zijn kort op elkaar heb her- en gelezen, wantrouw ik elke vorm van autobiografie. (En dan heb ik die van Diederik Stapel nog niet eens gelezen). In Céline’s Reis naar het einde van de nacht (1932) duikt steeds de bondgenoot Léon Robinson op.

Maar nu ben ik op mijn hoede. Het is toch wel heel merkwaardig dat die man zowel op het slagveld opduikt, als in de binnenlanden van Afrika als in New York, als terug in Parijs. ‘’t Had me een schok gegeven toen ik Robinson weer ontmoette, net een soort ziekte waar ik opnieuw last van kreeg. Door dat smoel van ’m, waar de ellende vanaf droop, was ’t alsof ik weer in een rotdroom terecht was gekomen die me al sinds jaar en dag niet losliet.’

Robinson is voor hoofdpersoon Ferdinand wat Dorbeck is voor Osewoudt, een dubbelganger, een parallel leven dat steeds weer opduikt. Of hij wel of niet bestaat is niet relevant. Het verhaal heeft hem nodig. Er was niet zo iemand als Robinson. Het was allemaal veel eenzamer. (En was het niet Crusoë die schreef: er was geen Vrijdag; het was allemaal veel eenzamer.)

Er zijn twee werkelijkheden: de echte en die op papier. Allebei gehoorzamen ze aan andere natuurwetten. Het weefsel van een roman eist specifieke rollen. Winterson in een interview: ‘I will sacrifice a fair bit of fact if I can tell a good story.’ (Het had het motto van Diederik Stapel kunnen zijn.)

Misschien zijn bijfiguren vooral in autobiografische romans juist daarom vaak zo onvergetelijk. Het zijn vacuüms, zwarte gaten, waarin de schrijver zijn verbeelding uiterst toegespitst mag inzetten. En omdat de krachtvelden in de roman hun existentie als het ware afdwingen, kan er weinig misgaan. Het zijn geen fundamenten, maar ook geen ornamenten, ze zijn iets daartussenin: functioneel maar niet dragend, en daarom is er veel meer vrijheid, frivoliteit of grilligheid geoorloofd. Ramen misschien?

‘Je kunt een architect beoordelen naar zijn vensterindeling; moge die groots zijn, overdadig, gevarieerd stoutmoedig’, schrijft Winterson in Kunst leugens (1994).

Voor mij is het duidelijk: je kunt een schrijver beoordelen naar zijn bijrollen.