Bijrollen

Het irritante van prijzen voor acteerprestaties is de ouderwetse hokjesgeest die eruit spreekt. Mannelijke en vrouwelijke spelers blijken ineens te behoren tot onvergelijkbare categorieen, zoals bij de meeste sporten gebruikelijk is. Maar het ergste is het onbetwistbare onderscheid dat er blijkt te bestaan tussen een hoofdrol en een bijrol. Dat schijn je af te kunnen lezen aan de hoeveelheid tekst die een acteur uitspreekt. Daar worden dan zeker ook de salarissen op berekend. Uit verzet tegen die vanzelfsprekend gehanteerde hierarchie heb ik ooit in de jaarlijkse enquete van het Theaterjaarboek Dik Boutkan de beste acteur genoemd, vanwege zijn rol in de voorstelling Gebeurd in Turijn. Zijn twee medespelers waren namelijk allebei genomineerd voor een acteerprijs, allebei in de categorie van hun eigen sekse waar alleen Hoofdrollen voor in aanmerking komen.

Marlies Heuer en Tom Jansen speelden in deze voorstelling een echtpaar. Ze bewogen zich voornamelijk rondom een tweepersoonsbed. Op dat bed lag Dik Boutkan, de huisvriend. Hij lag daar sigaretjes te roken en het gedoe van het echtpaar te bekijken. Verder deed hij niets. Hij deed dat ongelooflijk mooi, op een manier waarop geen enkele andere acteur dat kan. Maar dat fantastische nietsdoen was te weinig om voor een grote acteerprijs in aanmerking te komen.
Terwijl nietsdoen op het toneel of voor de camera een van de moeilijkste dingen is die je kunt verzinnen. En zeker voor een acteur. Acteren = handelen. Dat is het misverstand dat hier achter zit. Acteren = ingrijpen, reageren, een verandering tot stand brengen of dat op z'n minst willen & daar heel erg mee worstelen. Het zijn precies die misverstanden die veroorzaken dat mensen zo slecht in staat zijn van het leven te genieten. Puur aanwezig zijn, desnoods in horizontale positie, weten we niet te waarderen.
Daar leek afgelopen weekend even verandering in te komen. Het televisieprogramma Spijkers van presentator Jack Spijkerman introduceerde de Jan Wandelaartrofee voor de beste figurant. Een goudglanzend beeldje van een man, ongeveer van de grootte van een Oscar. De redactie had het beeldje gevonden in de requisietenafdeling van het NOB, maar dat maakt de Jan Wandelaar niet minder waardevol. De trofee werd uitgereikt aan Kees van Werkom, voor de perfecte manier waarop hij de straat oversteekt in een van de scenes in de film De jurk van Alex van Warmerdam. Filmproducent Matthijs van Heijningen las het juryrapport voor. Dat ging over de onmisbare aanwezigheid van de figurant in de betreffende scene. ‘Als Kees van Werkom daar niet had gelopen, was er een gat gevallen.’ Jammer genoeg deed Matthijs van Heijningen zijn best om zijn juryrapport zo ironisch mogelijk te laten klinken, waarmee hij afbreuk deed aan het mooie idee.
Dat werd nog erger bij het rapport van mijn favoriet onder de genomineerden, mimeschoolstudent Anil Jagdersing. Hij was genomineerd vanwege zijn rol als schaakstuk in de film Lang leve de koningin waarin hij naast Monique van der Ven op het schaakbord staat. 'Het is jammer dat Anil niet meer doet met zijn gezichtsexpressie’, zei Van Heijningen geestig over de figurant die met zijn hoofd nauwelijks boven het schaakstukkostuum uitkwam. Alsof hij een kind toesprak na een optreden in de Mini Playback Show.
Als de Vara serieus overweegt om deze prijs jaarlijks uit te reiken, moeten ze de volgende keer een andere juryvoorzitter nemen. Intussen stel ik voor om ook zo'n prijs in te stellen voor het toneel. Ik weet al wie ik dit jaar ga nomineren. Mattijn Hartemink en Olga Beemster. Twee jonge studenten van de Amsterdamse theaterschool, die in Eindspel van regisseur Jeroen van den Berg de hele voorstelling lang schitterden door pure aanwezigheid. Ze zaten achter op het toneel van het Amphitheater, in het halfduister. Olga hangend in een stoel, in bijna horizontale positie. Ik werd heel gelukkig van het kijken naar hen. Maar het was dan ook een stuk van Beckett waarin ze speelden.