Alicia Framis in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem

Bijt-, snij-, brand- en kogelvrije kunst

Mohammed, Ahmet, Abdul. Rebecca, Isaac, Arthur. De Spaanse kunstenaar Alicia Framis brengt in haar werken een ode aan het individu. Ze bewandelt het pad van de betrokken kunstenaar.

Medium alicia

166 helmen liggen in rijen op een oranje podium. Het topje van de ‘hoofden’ is eraf gesneden. Zwart en rood isolatiemateriaal, dat ons hoofd normaal gesproken inpakt als een breekbaar cadeautje, ligt nu open en bloot. ‘Safety’ staat er op de kunststof buitenkant van de helm geschreven. Ondertussen schallen er namen door de zaal: Mohammed, Ahmet, Abdul… De titel van dit werk is Guantánamo Museum. 166 blijkt het aantal gevangenen dat hier in mei 2013 opgesloten zat, oranje verwijst naar de kleur van hun gevangenispakken en de beschadiging aan de helmen symboliseert hun kwetsbare staat, als champignons op een snijplank. Hier is een betrokken kunstenaar aan het woord.

In de overzichtstentoonstelling Framis in Progress, in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem (mmka), snijdt Alicia Framis (1967) grote thema’s aan. Na haar verblijf aan de Rijksakademie in 1995-1996 won zij in 1997 de Prix de Rome voor een performance op de Dam in Amsterdam. Op de plek van het Oorlogsmonument, dat tijdelijk weg was voor restauratie, bouwde ze met driehonderd Spanjaarden een menselijke toren van elf meter hoog. Deze werkwijze is karakteriserend voor het oeuvre van de Spaanse kunstenaar: momenten van afwijkingen, leegtes en botsingen in de maatschappij markeert zij onmiddellijk met een kunstwerk. Dat kan een levend monument voor de doden zijn of een museum voor een gevangenenkamp dat nog altijd in vol bedrijf is. In Duitsland voorzag ze de witte belijning van een snelweg van zwarte letters. In beweging zijn de woorden niet te lezen, maar zodra de automobilist afremt, verschijnen er namen als Rebecca, Isaac en Arthur. Het zijn deze onbewaakte momenten van transitie waarin kunst je in de staart bijt.

Alicia Framis, werkzaam in Barcelona en Amsterdam, past in de groep betrokken kunstenaars die ontstond in de jaren negentig. Na een stortvloed van beelden en representaties in het postmodernisme gingen kunstenaars op zoek naar een manier om weer ‘betekenisvolle’ kunst te maken. In intimiteit en poëzie vonden ze gevoelige materialen om menselijke relaties en sociale contexten mee in beeld te brengen. Ook eenzaamheid, een keerzijde van het vergevorderde individualisme, vormde een inspiratiebron voor geëngageerde kunstwerken. Een iconisch werk uit 1998 is het beslapen bed van Tracey Emin, getiteld My Bed, dat de verzamelaar Charles Saatchi onmiddellijk van de nog onbekende Emin had aangekocht. Datzelfde jaar trad Framis op als Dreamkeeper. Veertig dagen hield ze de wacht in huizen van Amsterdammers die zich ’s nachts eenzaam voelden. Een vorm van ‘gezelschapskunst’, die Framis is blijven beoefenen.

In het mmka is te zien hoe haar oeuvre in de afgelopen vijftien jaar vorm kreeg in een waaier van disciplines. De zaal ‘Studio met sociale architectuur’ is ingericht met een lange tafel met ingenieuze maquettes en prachtige 3D-tekeningen voor denkbeeldige gebouwen aan de muren. Framis leefde zich voor haar ontwerpen in in de wensen van burgers van divers pluimage. De ‘sociale’ architectuur waar haar fantasie in resulteert, is opgebouwd uit tegenstellingen. Voor de Anonieme Alcoholisten bijvoorbeeld ontwerpt ze een Aabar, een alcoholvrije uitgaansgelegenheid waarvan zowel de ingang als de uitgang gevormd wordt door de letter A. Voor de inwoners van gecensureerd China ligt er een ontwerp voor een plein klaar, voorzien van een monumentaal gebouw dat volledig is opgetrokken uit microfoons. Lucky Girls is de naam voor een zandbak bestemd voor Chinese adoptiekinderen in Barcelona. De letters vormen tevens de vorm van de zandbak, waar kinderen in kunnen spelen met zand dat wordt geïmporteerd uit hun geboorteland. Een eerbetoon aan geadopteerde meisjes uit China noemt Framis de sculptuur. Een beetje sadistisch als je het mij vraagt, maar ook dat is mooi en productief aan ideologieën: je hoeft ze niet te delen.

Framis’ projecten in de openbare ruimte vinden in Arnhem hun weerslag in video’s en foto’s, maar meest noemenswaardig in een zaal met kledingontwerpen. Anti_Dog (2002-2003) is een kledinglijn die Framis voor (donkere) vrouwen ontwikkelde uit bijt-, snij-, brand- en kogelvrij textiel. De beledigende teksten die deze vrouwen regelmatig naar hun hoofd geslingerd krijgen, borduurde Framis op een deel van de collectie. ‘Get out of my life you ugly bitch’, ‘This is not your country’. Framis presenteerde de collectie op de Biënnale van Venetië in 2003 met modellen, maar in het mmka zijn de stukken wat statisch uitgestald op paspoppen. In een video komen de gele jurken, jassen en omslagdoeken pas tot leven. Dan zie je hoe zwarte vrouwen, gehuld in Anti_Dog, ooit midden in een stroom lallende voetbalsupporters stonden opgesteld. De groep mannen werd door hun verschijning uiteengedreven, als een golf die breekt op een pier, om zijn weg te vervolgen in kleinere schuimkoppen. Framis wist de vinger precies op de zere plek te leggen.

Toch is het een dunne lijn die Framis met haar geëngageerde kunst bewandelt. Niet ieder ‘heftig’ onderwerp leent zich voor een indringend kunstwerk. Het project Not for Sale (2007) bestaat uit grote portretfoto’s van vriendelijk lachende Aziatische jongetjes in een groene omgeving. Ze dragen een ketting om hun hals en op hun blote borst hangt een label met de woorden – u raadde het al – ‘not for sale’. Een Benetton-reclame, misschien. Maar kunst?

En waar de eerste werken nog een gevoel van strijdlustigheid aanwakkeren, worden al die wijzende vingers na een tijdje ook wat vermoeiend. Slavernij, onderdrukking, uitbuiting, seksisme, discriminatie, censuur en eenzaamheid, je wilt als bezoeker uitroepen: ‘Ik ben onschuldig!’ Ik heb geen kinderen verhandeld, geen vrouwen beledigd, geen oppressief regime gerund. Framis staat hier te roepen in de woestijn.

Je kunt je afvragen of sociale acties überhaupt tot vuist samengebald moeten worden in de vorm van een museale tentoonstelling. De kracht van veel projecten schuilt er juist in dat ze op onverwachte plekken opduiken. Op Utrecht Centraal, voor de Arena, op een catwalk in Madrid, als pop-up store aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Het directe contact met mensen in de openbare ruimte, dat is de clash waar Framis’ werk op drijft. Anti_Dog hoort thuis tussen de honden, bij wijze van spreken.

In het mmka blijft weinig van deze dynamiek over. In de zalen slaat de spontaniteit van de werken volledig dood, de witte muren dwingen de bezoeker tot een esthetische blik waar het werk niet altijd om vraagt. Een bijkomend probleem van geëngageerde kunstwerken is dat de tekst vaak onontbeerlijk is, om niet te zeggen interessanter dan het kunstwerk zelf. In het mmka wordt de toelichting gepresenteerd op bordjes met kleine letters, in bovendien slordig en lelijk Nederlands.

Wanneer de maatschappelijke problemen niet direct voor het oprapen liggen, creëert Framis zelf een conflict. Zo vroeg ze medewerkers van een kantoor van de Rabobank om gedurende enkele minuten hun werkzaamheden te staken en zich niet te verroeren. Zakenmannen staan als versteend in de personeelskantine, een dienblad met broodjes en vruchtensap in hun handen. In de keuken kijken twee koks elkaar in de ogen, bevroren op het moment dat de één de ander van een lepel soep of saus wil laten proeven. Terwijl Framis’ camera rustig door het gebouw zweeft, zijn de enige geluiden afkomstig van rinkelende telefoons, piepende computers, mokkende kopieerapparaten, voorbijrazend verkeer, lopende kranen en de lift, die zijn deuren opent en maar weer sluit. De bank, een zenuwcentrum van activiteit, is door Framis volledig lamgelegd. De verstilde beelden leggen de vanzelfsprekende, alledaagse relatie tussen mens en werk vast. En wat blijkt? Elektronica mag dan geluid maken, de toetsen van toetsenborden doen helemaal niets zonder onze vingers.

Opnieuw brengt Framis hier een ode aan de menselijkheid. En in tegenstelling tot een werk als Guantánamo Museum spreekt Secret Strike (2004) voor zichzelf. Of het nu gaat om een collectieve staking of een intiem moment van reflectie, dat mag de toeschouwer zelf bepalen. In die zin is de video het beste werk van de tentoonstelling. De beelden leveren bovendien ook esthetisch gezien een prachtig portret van onze maatschappij, een Pompeï van de moderne wereld.

In de laatste zaal van de tentoonstelling komt de bezoeker toch nog aan het woord. Wishing Wall (2013) is een museale Klaagmuur, een muur met gaatjes waar bezoekers briefjes met een wens in kunnen stoppen. Op een tafel liggen pennen met onzichtbare inkt klaar om de geheime verlangens mee op te tekenen. Er staat ook nog een brievenbus in de vorm van een zilveren bol met een gleuf, voorzien van de tekst ‘Cartas al Cielo’. ‘Brieven aan de Hemel’, want ook de hemel is een plek waar we onze wensen en hoop en wanhoop naar uitspreken en waar overledenen en verdwenen vrienden zich bevinden, mensen die gemist worden. Framis staat klaar om je dromen op te vangen. Voor wie niet naar Arnhem wil, staat er ook permanent een brievenbus voor het hiernamaals in het Amstelpark in Amsterdam.


Alicia Framis, Framis in Progress, t/m 29 sept, Museum voor Moderne KunstArnhem.