Mokusei!

Bijten, verslinden

Bij het schrijven van seksscènes heb je de keuze tussen twee uitersten: een minutieus verslag van alle fysiologische details of een witregel, waarin de camera wegdraait en je eigen verbeelding het maar moet klaren. Beide zijn onbevredigend, al willen ze precies hetzelfde, namelijk de lezer tot toeschouwer maken. De witregel geeft daarvoor te weinig, het plastische verslag te veel.
Dat het ook anders kan, ontdekte ik bij een schrijver die niet iedereen onmiddellijk met hitsige en bloedgeile neukscènes zal associëren, Cees Nooteboom. Zijn novelle Mokusei! (1982), een liefdesverhaal over een fotografe en een Japans model, heeft in de erotische passages een focus die nu juist niet bij de visuele impulsen ligt  je krijgt die twee haast nergens te zien  maar bij de ervaring. De zinnen registreren wat er omgaat in het hoofd van de fotograaf wanneer hij de liefde bedrijft met het model waar hij bezeten van is. Het effect op de lezer is een merkwaardig samengaan van acute betrokkenheid én een onmiskenbare afstand, zodat je verbeelding alsnog de fysieke feiten moet invullen.
Dat gaat bijvoorbeeld zo: ‘Met niemand anders in de wereld had hij dat ooit zo ondergaan, dat gevoel van dreiging, de uitdaging van woede en oorlog gepaard aan onverstaanbare liefdesbetuigingen en als bijten vermomd strelen.’
Of zo: ‘Bijten, verslinden, de ander eens en voor altijd binnendringen, opvreten, meenemen, heel die hopeloze bedoening van mensen die elkaar willen worden, één ding willen zijn het niet kunnen, altijd weer gedwongen worden uit elkaar te gaan, los te laten, lege kamers achter zich verzamelend (…) Hij voelde zich als iemand die een oneindige afstand moet zwemmen en halfweg is, te ver om terug te keren en te ver om door te gaan.’
Mokusei! gaat niet alleen over een grote liefde, maar ook over de onmogelijkheid hierover te spreken of te schrijven (‘dat onuitspreekbare, van banaliteit vergiftigde ding’). ‘Als hij er later eens met vrienden over wilde spreken merkte hij dat je over die dingen alleen in de meest elementaire termen kunt praten, en dat dat tegelijkertijd de termen zijn die het meest de lachlust of het ongeloof opwekken.’
Niettemin krijgt Nooteboom het voor elkaar om die ‘elementaire termen’ op een obsessief-hypnotiserende en tegelijkertijd melancholieke toon op te voeren.
Tussen de uitersten van expliciete plastiek en kuise fade outs is dit een zeldzaam mooie manier om seks in taal tot leven te brengen.

Cees Nooteboom, Mokusei! Een liefdesverhaal, De Arbeiderspers, 1982