Bijvangst voor de verslaggever

Wat moet het een avontuur zijn geweest om in het eerste semester van 2016 bij Frank Westerman in de collegebankjes te hebben gezeten. Aan de Universiteit Leiden was hij naar eigen zeggen ‘de eerste gastschrijver in 32 jaar die zijn verhalen niet verzint’. Bij Westerman geen hoorcolleges over literaire klassiekers, geen klasje in creative writing, nee, het groepje studenten ging actief meespeuren, meedenken, mee op reportage – met een pontje over de Maas – en meeschrijven aan het boek dat Wij, de mens is geworden.

Dat geeft meteen een extra spanning aan het toch al zo meeslepende werk. Het doet verslag van zijn eigen genese, die begint in zaal 0.04, ‘ons honk in het blokkerige Van Eyck-gebouw’, die veranderde in een ‘werkplaats’. Er rollen landkaarten van Indonesië uit, stambomen van mensapen en vroege menssoorten, biografische gegevens van paleontologen, dna-analyses, fossielen… De inzet is dan ook hoog: in zijn tiende boek wil Westerman terug naar de oorsprong van de menselijke soort. Waarin onderscheidt homo sapiens zich van andere diersoorten?

Dat levert een reis op door alle dimensies, letterlijk en figuurlijk. In de diepte, bijvoorbeeld door aan te meren op een baggerschip, en op fossielenjacht te gaan op de Tweede Maasvlakte, en door allerlei aardlagen af te graven. In de breedte, door af te reizen naar Limburg, België, en het Indonesische eiland Flores, in 2003 de vindplaats van een kleine, Hobbit-achtige mensensoort, die het hele idee van de evolutie een flinke dreun verkocht. Het is daarnaast een reis in de tijd, vooral aan de hand van sleutelfiguren in de paleontologie, van wetenschappers tot amateur-schatgravers, al dan niet als missionaris in Nederlands-Indië gestationeerd.

Fascinerende biografische schetsjes krijg je hierdoor, zoals van Eugène Dubois (1858-1940). Westerman krijgt bij toeval een neef van diens huishoudster te spreken. ‘Dubois was een zonderlinge kerel, hè, die zonderlinge dingen deed.’ ‘Zoals?’ ‘Dan zagen de meiden hem gehurkt zitten boven zijn plantjes in de moestuin. Die bemestte hij zelf.’ En ook: ‘Struise boerendeernes waren niet veilig voor hem.’ Paleontologen blijken allemaal wat verknipt en excentriek te zijn, met absurd grote ego’s en moordende rivaliteit. Of neem pater Theodor Verhoeven (1907-1990), die veel archeologisch werk op Flores deed. Westerman stuit op een oud-leerling die een biografie van hem schreef, maar eigenlijk geen feiten hieruit wil prijsgeven. Uiteindelijk krijgt hij hem zo ver om in een Utrechtse stationsrestauratie wat pijnlijke feiten uit Verhoevens leven los te laten: misbruikt op het kleinseminarie.

Wat dit uiteindelijk allemaal met de hoofdvraag te maken heeft? Westerman weet het er wel naartoe te buigen, met een verhandeling over schaamte bij de mens versus het dier, maar eerlijk gezegd verdween voor mij de hoofdvraag steeds verder naar de achtergrond. Dit is het soort boek waarbij het om de zoektocht gaat en veel minder om het doel.

‘De doorhaling, als stijlfiguur, is wat ons onderscheidt, als soort’

Om erachter te komen in hoeverre zijn eigen dna verschilt van dat van de Neanderthaler laat hij zijn genetisch materiaal onderzoeken door een laboratorium. Daaruit komt onder meer dat hij van de Vikingen afstamt. En hij ontdekt meteen dat hij daar zijn handafwijking aan dankt. Op het baggerschip vertelt iemand hem over toekomstige ‘zelfbaggerende’ schepen, die een denktank al aan het bekokstoven is, en die bijvoorbeeld een tulpvormig eiland voor de Hollandse kust kunnen gaan opspuiten.

‘Wie als verslaggever onbevangen van huis gaat, keert geheid terug met bijvangst’, leert hij zijn studenten al. Vaak zitten Westermans fuiken in dit boek wel erg vol met weetjes en zijpaden, feitjes en anekdotes, maar ja, mooi en verrassend zijn die bijna altijd, en de gretige nieuwsgierigheid waarvan ze getuigen, slaat rechtstreeks over op de lezer.

Je voelt de ‘tinteling’ mee die Westerman voelde toen hij in een manuscript van Dubois zag hoe hij de Latijnse benaming ‘mensaap’, had doorgestreept en vervangen door die voor ‘aapmens’, waarmee hij zijn vondst tot de missing link van de menselijke evolutie verklaart, en de sprong van dier naar mens maakte. Ineens begreep hij dat hij al die jaren van zijn onderzoek niet op zoek geweest was naar fossielen, maar naar woorden. ‘Als de zoektocht naar het wezen van de mens me iets duidelijk heeft gemaakt, dan is het dat we gedoemd zijn te blijven herzien wat we denken te weten. (…) Uitgerekend de doorhaling, als stijlfiguur, is wat ons onderscheidt, als soort. De eindversie bestaat niet.’

Een van zijn eerste lessen aan de studenten luidde: ‘Elke reporter zou zich moeten voelen als een kind dat naar huis rent om aan mama te vertellen wat voor bijzonders het heeft meegemaakt.’ Zo bevat Wij, de mens ook nog eens een aanstekelijk lesboek vol vingerwijzingen voor verslaggevers. Je krijgt meteen zin om zelf op reportage te gaan.

‘Verslaggeving komt altijd voort uit verwondering. Waar je ook verslag van doet, je kunt er in gedachten altijd een “moet je horen!” aan vooraf laten gaan.’ Iets soortgelijks geldt natuurlijk ook voor de boekbespreking. Het bovenstaande had ik vooraf kunnen laten gaan, of misschien zelfs kunnen vervangen door een: moet je lezen!