Bildung begint in de wieg

Medium humboldt portrait
Alexander von Humboldt in zijn studeerkamer, 1845. Waterverftekening (detail) © Eduard Hildebrandt / Bibliothèque Des Arts Decoratifs

Als we Quintilianus (ca. 40-95) mogen geloven, kun je niet vroeg genoeg beginnen met de intellectuele vorming van kinderen. Ieder kind is van nature leergierig. ‘Zoals vogels geboren worden om te vliegen, paarden om te rennen en roofdieren voor wreedheid, zo is beweeglijkheid en vindingrijkheid van geest ons eigen.’ Wil je dat je zoon redenaar wordt – voor Quintilianus is dat het hoogste ideaal – dan moet je er al in zijn eerste levensjaar voor zorgen dat iedereen in zijn omgeving correct Latijn spreekt, want ‘wij houden het stevigst vast wat wij hebben opgevangen toen onze geest nog ongevormd was; evenzo blijft het aroma waarmee men vers voedsel kruidt, hangen, en kunnen de kleurstoffen waarmee de natuurlijke witheid van wol veranderd is, niet uitgewassen worden’. Bildung, kortom, begint al in de wieg.

Voor iemand als Quintilianus, maar we zouden ook zijn grote voorbeeld Cicero kunnen noemen, zijn intellectuele en morele vorming nauw met elkaar verweven. Wie van jongsaf wordt blootgesteld aan fraai en genuanceerd taalgebruik, de grote klassieken uit het verleden leest en in een omgeving van beschaafde mensen gestimuleerd wordt kennis te verwerven op alle terreinen des levens, zal zich bijna automatisch ontwikkelen tot een verstandig en maatschappelijk betrokken burger. De sleutelterm is humanitas, letterlijk: ‘menselijkheid’, een begrip dat misschien het best weergegeven kan worden als ‘geïnternaliseerde beschaving’. Zij uit zich in eruditie, welsprekendheid, filosofische belangstelling en een sterk gevoel van verantwoordelijkheid voor familie en samenleving.

Is dit ideaal achterhaald? Heeft de geschiedenis niet uitgewezen dat ook verfijnde intellectuelen tot gruweldaden in staat zijn? En is de humanistische traditie niet gebouwd op uitbuiting, onderdrukking en minachting van ieder die het ongeluk had niet tot de westerse elites te behoren? Maakt het bestuderen van een klassieke canon niet blind voor alles wat daar om wat voor reden dan ook niet in terecht is gekomen? Sterker nog, berust niet elk cultureel waardeoordeel op macht en uitsluiting?

Berust niet elk cultureel waardeoordeel op macht en uitsluiting? Nee

Om met dat laatste te beginnen: nee, ik zal tot mijn laatste ademtocht blijven volhouden dat Homeros en Beckett intrinsiek beter zijn dan Tolkien en Grunberg, zoals de muziek van Beethoven en John Coltrane belangrijker is dan die van Metallica en Einaudi. Dat heeft te maken met inhoudelijke substantie en verfijning, die, dat weet ik zeker, objectief zijn vast te stellen. Het is ongetwijfeld ook een kwestie van smaak, maar daar gaat het misschien juist om. Beschaving bestaat in het ontwikkelen van een subtiele smaak, en daarvoor is het nu eenmaal nodig dat je al op jonge leeftijd intensief kennismaakt met alles waarvan de tijd geleerd heeft dat het behoort tot het domein van het Goede, het Schone en het Ware. Ik hanteer die termen zonder enige ironie.

Het humanistisch programma van de Romeinen bleef een half millennium min of meer ongewijzigd. Niet dat er in de tussentijd niet allerlei grote dichters en denkers voorbijkwamen, maar die legden het af tegen de hang naar traditie. We kunnen dat afserveren als bekrompen en conservatief, maar deze culturele continuïteit was de kurk waarop het Romeinse rijk dreef, want intellectuelen van Alexandrië tot Trier voelden zich met elkaar verwant doordat ze allemaal Homeros, Plato, Cicero en Vergilius hadden gelezen. Zelfs als al die geschriften rommel hadden behelsd, zou de gedeelde achtergrond borg hebben gestaan voor geworteldheid.

Wat zou Bildung in onze tijd kunnen betekenen? Het spreekt vanzelf dat de klassieke canon terecht is opengebroken, dat kennismaking met de producten en denkwerelden van niet-westerse beschavingen een aanwinst is en dat het zwaartepunt niet meer op humaniora behoeft te liggen. Wat echter overeind blijft is het belang van intellectuele ontwikkeling, en die kan, zoals Quintilianus zegt, niet vroeg genoeg beginnen.

Wie de debatten over onderwijs in ons land probeert te volgen, kan niet anders dan vaststellen dat zowel op basisscholen als in het voortgezet onderwijs de neiging bestaat de curricula steeds meer te vullen met tijdgebonden onderwerpen (burgerschapskunde; omgang met social media) en daarbij de nadruk wordt gelegd op vaardigheden (‘twenty-first century skills’) en kennisverwerving wordt veronachtzaamd – vanuit de veronderstelling dat kennis veroudert. Maar afgezien van het feit dat het domweg leuk is veel te weten, heb je basiskennis nodig om welke vaardigheid dan ook in de vingers te krijgen. Ware kennis, of die nu geschiedenis, literatuur, biologie of natuurkunde betreft, veroudert niet omdat ze niet in het heden, laat staan in de toekomst is geworteld, maar in het (soms verre) verleden. Wie een gedegen algemene ontwikkeling heeft, hoeft geen les te krijgen in de valkuilen van moderne media, omdat hij zelfstandig kan inschatten of wat op het scherm verschijnt aannemelijk dan wel baarlijke nonsens is.

Aan de kennis, smaak en taalvaardigheid van eerstejaars studenten valt af te lezen dat er bij het merendeel van hen in de eerste achttien jaar van hun leven enorm veel tijd is verloren die besteed had kunnen worden aan grondig lezen, denken en formuleren. Ze willen zich dolgraag ontwikkelen, maar weten niet waar ze moeten beginnen, omdat de scholen hun nauwelijks iets waardevols hebben aangereikt in de periode waarin ze het meest ontvankelijk waren. Dat tekort haal je nooit meer in. Over de inhoud van het programma valt te discussiëren, maar ik ben ervan overtuigd dat wie niets weet en half geconcentreerd vertrouwt op door snelle jongens ontworpen algoritmen, een armzalig leven leidt.