LIBERAL ARTS IN NEDERLAND

Biljartballen

Sinds 1998 heeft Nederland Liberal Arts Colleges, waar studenten kennismaken met meer dan één wetenschap. Casper Thomas kijkt terug op zijn College-tijd in Maastricht, en ziet in de nieuwe opleiding een antwoord op de vervlakking van het hoger onderwijs.

JEREMIËREN OVER DE kwaliteit van onderwijs is van alle tijden. In 1928 publiceerde het Amerikaanse tijdschrift The Atlantic Monthly een artikel met de titel The Convention of Going College. De auteur constateerde een grote toename van het aantal eerstejaarsstudenten dat zich inschreef bij Liberal Arts Colleges: kleine, selectieve instituten waar studenten zich in de breedte konden ontwikkelen in de vrije kunsten. Volgens het blad dreigde de Amerikaanse passie voor een well-rounded opleiding het land te veranderen in een natie van biljartballen: mooi rond, dat zeker, maar tegelijkertijd rolden ze ook alle kanten op en hadden ze geen duidelijke expertise.
Inmiddels kent ook Nederland de door The Atlantic Monthly verfoeide Liberal Arts-opleidingen. De eerste loot aan deze nieuwe stam was University College Utrecht, dat begon in 1998 op het terrein van de voormalige Kromhoutkazerne, tussen de Uithof en de Utrechtse binnenstad. Het bood onderdak (kamer en drie maaltijden per dag incluis) aan een kleine tweehonderd studenten per jaar. Het was in verscheidene opzichten een novum. Nog voor het bachelor-master-stelsel werd ingevoerd deelde University College Utrecht al bachelordiploma’s uit. Bovendien selecteerde het zijn studenten niet op basis van cijfers, maar met motivatiebrieven en gesprekken.
In 2002 begon het tweede University College, ditmaal zonder campus, in Maastricht, en het aantal Colleges blijft groeien: in Middelburg opende in 2005 de Roosevelt Academy. Daarnaast is er de Academia Vitae in Deventer, opgezet door cultureel econoom Arjo Klamer. Hier kunnen toekomstige studenten terecht voor een vormend tussenjaar waarin ze zich vooral bezighouden met het lezen van de grote klassieken. In september 2009 start University College Amsterdam, een historische samenwerking tussen de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam, dat vooral aandacht wil besteden aan de bètawetenschappen. Kopstukken als de natuurkundige Robbert Dijkgraaf en historicus James Kennedy hebben al ingetekend. Tel daar een aantal gelijksoortige opleidingen in Amsterdam, Utrecht en Tilburg bij op en het wordt duidelijk dat de Liberal Arts zijn intrede heeft gedaan in Nederland.

De doelstelling van de Colleges is niet beter te verwoorden dan hoe Deans van het (toen nog) handjevol Amerikaanse Colleges het in 1828 vastlegden: ‘Our object is not to teach what is peculiar to any one of the professions; but to lay the foundation which is common to them all.’ Hierin verschillen de Liberal Arts-opleidingen van hun disciplinaire tegenhangers: waar ‘gewone’ opleidingen studenten kennis bijbrengen van één wetenschappelijke discipline worden in de Liberal Arts de raakvlakken van de verschillende wetenschappen opgezocht. De Liberal Arts-filosofie schrijft voor dat studenten gevormd moeten worden door ze een breed pakket aan intellectuele bagage mee te geven, voordat ze zich uiteindelijk specialiseren in een wetenschap naar keuze.
In januari schreef Henk van Os in De Groene Amsterdammer een essay over het belang van academische vorming. Deze kende volgens Van Os twee basisvoorwaarden: persoonlijke aandacht van de docent voor de student en de ruimte voor de laatste om eigen keuzes te maken. Het uiteindelijke doel, aldus Van Os, is een soort magneet te ontwikkelen waarmee je de kennis, van wetenschap, kunst en literatuur, aantrekt die van belang is voor jouw zelfontplooiing.
Van Os’ essay was aanleiding om terug te kijken op mijn eigen College-periode in Maastricht. Wat voor opleiding kreeg ik daar? Betekende academische vorming daar iets?
Net als in Utrecht selecteert het College in Maastricht zijn studenten. Toegelaten worden leek een behoorlijke opgave, zeker omdat vrienden enkel een inschrijvingsformulier hoefden in te vullen om aan de studie van hun keuze te beginnen. De praktijk bleek eenvoudiger. De selectieprocedure, zo werd mij achteraf verteld, was vooral ook bedoeld om de student in spe te laten nadenken over waarom hij of zij voor een Liberal Arts-opleiding koos. Met een zinnig antwoord op de vraag wat je kunt bijdragen aan de academische gemeenschap en welk boek je ooit heeft gegrepen, rolde je dan uiteindelijk eenvoudig door de selectieprocedure.
Uit de vele gesprekken die ik met medestudenten over dit onderwerp heb gevoerd, bleek dat nauwelijks iemand voor het College had gekozen met een duidelijk toekomstbeeld in gedachten. Iedereen kwam naar het College omdat hij of zij zich niet meteen al wilde beperken tot één discipline. In zekere zin was iedereen dan ook een twijfelaar. Die twijfel kwam echter voort uit angst slechts kennis van een enkel onderwerp op te doen, en daardoor de rest te lagen liggen.
Tijdens een vak over Verlichting en Romantiek werd ik bekend met het begrip Bildung, het ideaal van een intellectueel vormingsproces dat een heel leven blijft duren. Met de wijsheid van achteraf zou je kunnen zeggen dat het zoeken naar Bildung ten grondslag lag aan de keuze voor een University College.

Wie het woord ‘Bildung’ gebruikt, begeeft zich op gevaarlijk terrein. Zoals Henk van Os schreef is deze nimmer voltooid en moet Bildung permanent veroverd worden op de eigen gemakzucht. Het gevaar is dus aanwezig dat deze voor lief wordt genomen. Toch denk ik dat de Liberal Arts-opleidingen een poging doen om het oude Bildungsideaal af te stoffen en een nieuwe lik verf te geven.
Het is een moeilijk te vatten begrip, maar duidelijk is dat Bildung ontwikkeling op slechts één terrein uitsluit. Wilhelm von Humboldt, de Duitse geleerde die veel invloed op het moderne Bildungsdenken heeft gehad, bepleitte daarom jonge studenten volstrekt vrij te laten in de keuze van vakken en wijze van studeren. De eenkennige specialist is immers de tegenhanger van de gebildete mens.
De vrijheid op het College was niet humboldtiaans, maar bood voldoende ruimte om mijn studie zelf vorm te geven. Eenmaal aangenomen kreeg ik een dikke Course Catalogue voorgeschoteld, gevuld met de vakken die een Liberal Arts-opleiding tekenen: Shakespeare and Philosophy, Twentieth Century Poetry, Medieval Civilization. Mijn blik richtte zich vooral op de geesteswetenschappelijke vakken, maar studiegenoten die geïnteresseerd waren in bèta- of gammawetenschappen werden ongetwijfeld meer geboeid door de mogelijkheid Organic Chemistry of Classical Sociology te studeren. Want hoewel vooral de humaniora op de Colleges ruimte vinden die elders ontbreekt, zijn de bèta- en gammawetenschappen niet ondervertegenwoordigd.
Ik moest zelf kiezen met welke vakken ik mijn semester wilde invullen, een vraag die zich tweemaal per jaar herhaalde. De enige verplichting was dat ik me niet tot de humaniora zou beperken, maar ook een aantal natuur- en sociaal-wetenschappelijke vakken aan mijn curriculum zou toevoegen.
Het eerste semester werd een lappendeken. Ik volgde twintigste-eeuwse poëzie, evolutietheorie, beginselen van het recht en Europese cultuurgeschiedenis, vakken met een hoog canoniek karakter, iets wat geldt voor het hele aanbod van kennis op het College. Gaandeweg kreeg mijn curriculum meer vorm. Niet in de laatste plaats omdat ik, net als iedere student, een academic advisor had: een docent die als gesprekspartner en adviseur diende bij het kiezen van vakken en het schrijven van essays.
Het gevolg van de grote keuzevrijheid was dat iedere graduate het College verliet met een volslagen ander profiel. Na het afstuderen waaierden mijn vrienden uit in de richting van de biomedische wetenschappen, amerikanistiek, internationaal recht en de wetenschapsfilosofie. Toch heb ik het gevoel dat we allemaal hetzelfde zijn gevormd. Deels komt dat doordat iedereen het Academic Core onderwezen kreeg: politieke filosofie, contemporaine wereldgeschiedenis, statistiek en wetenschapsfilosofie. Maar belangrijker nog doordat iedereen, ook al is het maar kort, elkanders vakgebied betreden heeft.
Hier ligt ook een mogelijk antwoord op de vraag wat het maatschappelijk nut is van breed gevormde studenten. Naast hun eigen, specialistische kennis zijn ze ook in staat over de grenzen van hun vakgebied heen te kijken en in dialoog te treden met anderen.
Behalve verantwoordelijk voor het eigen curriculum zijn College-studenten ook verantwoordelijk voor hun eigen leerproces. Er werd slechts beperkt hoorcollege gegeven. De meeste tijd ging op aan in kleine groepjes discussiëren over de gelezen teksten. De docent schoof aan als tutor die de discussie en interpretatie losmaakte. Literatuur werd slechts beperkt voorgeschreven: studenten werden uitgenodigd zelf op zoek te gaan naar teksten die antwoord gaven op de vragen die de groep zich in de voorgaande sessie had gesteld.
Ook de toetsing was weinig vastomlijnd. Hoewel sommige vakken afsloten met een examen was het essay verreweg de meest gebruikelijke toetsvorm. De onderwerpkeuze en de selectie van literatuur waren vrij. Ook was een boekbespreking vaak een vereiste voor het afsluiten van een vak.

Het brede en open karakter van het Liberal Arts-onderwijs stuitte regelmatig op bezwaren van buitenaf. Dezelfde klachten die The Atlantic Monthly had in 1928 doken ook in Nederland op. Tekenend was de kritiek van Ronald Plasterk. Toen de minister van Onderwijs nog gewoon wetenschapper en columnist was, toonde hij zich geen fan van University Colleges. In een van zijn Volkskrant-columns hield Plasterk een filippica tegen deze ‘crèches voor rijkeluiskinderen’.
In tegenstelling tot Plasterks bewering werd het College niet bezocht door studenten die bovengemiddeld rijk waren, en het collegegeld was gelijk aan dat wat gevraagd werd voor andere opleidingen.
Op één punt kan Plasterk gelijk gegeven worden. Op het University College Maastricht worden studenten verwend. Om zo min mogelijk aanleiding te geven het College te verlaten en zo een gemeenschap te smeden, heeft het College uitgebreide faciliteiten. Sowieso een eigen gebouw en verder een eigen bibliotheek, studieruimtes en een Common Room waar docenten en studenten zich buiten de lessen ophielden, de krant lazen of de werkgroep nabespraken. Hoewel die bibliotheek uiterst bescheiden was en de Common Room ook voor banalere zaken als televisiekijken en tafelvoetbal werd gebruikt, gaf het een gevoel van luxe. Keerzijde was dat binnen de universiteit als geheel het College een wat sektarisch karakter had.
Om het klimaat van het College intiem te houden werd het studentenaantal bewust beperkt gehouden. De voorselectie was niet bindend, je werd slechts uitgenodigd dan wel stellig afgeraden te komen, waarmee je de uiteindelijke beslissing of de Liberal Arts wel of niet bij je paste zelf kon maken. Wel was er mogelijkheid tot selectie achteraf: wie na het eerste jaar niet meer dan de helft van zijn of haar punten had gehaald, werd gesommeerd te vertrekken.
Een ander bezwaar van Plasterk was dat een Liberal Arts-opleiding helemaal geen wetenschappelijke opleiding is. Eerder is het ‘een soort LOI, een fulltime Teleac’ dat de wetenschap transformeert in een ‘disneyland’ en het laboratorium in een ‘pretpark’.
Drie jaar Liberal Arts was allesbehalve een pretpark. Het onderwijs was zeer intensief en de druk om te presteren was hoog. Daarbij, wat ik leerde op University College laat zich niet zozeer uitdrukken in de vakkenlijst die inderdaad, ondanks een accent op filosofie en geschiedenis, een wat versnipperde aanblik biedt. Als het gaat om het verwerven van canonieke kennis van veel verschillende wetenschappen zijn drie jaar college slechts een klein begin. Belangrijker is dan ook de vorming die besloten lag in, om met Van Os te spreken, het ontwikkelen van je eigen magneet.
Plasterks laatste bezwaar was dat de Colleges jonge mensen niet opleiden voor een beroep, hooguit tot ‘praatjesmakers’ of ‘handelaren met voorkennis’. Toch heb ik me nooit zorgen gemaakt of een Liberal Arts-opleiding wel voldoende voorbereidde op toekomstig werk of dat het College niet de vergissing maakte oogkleppen op te zetten voor de eisen van de arbeidsmarkt. Sinds Nederland naar het Anglo-Amerikaanse bachelor-master-stelsel is overgegaan kan een student met een breed Liberal Arts-diploma doorstromen naar een gespecialiseerde vervolgopleiding.
Ook lijkt de vorming tot biljartbal de toekomstdromen van mij en mijn medestudenten nauwelijks in de weg gezeten te hebben. Een opvallend groot percentage kiest er ondanks (of, waarschijnlijker, juist dankzij) de brede, interdisciplinaire basis voor om door te gaan in de wetenschap. Veel van mijn jaargenoten zijn, na hun masteropleidingen, begonnen aan een proefschrift, vaak aan gerenommeerde buitenlandse universiteiten. Toen ik vorig jaar als studentlid van de visitatiecommissie een ronde maakte langs alle Nederlandse Liberal Arts-opleidingen zag ik eenzelfde beeld: de wetenschap was een populaire keuze.
De vraag of Liberal Arts-studenten een achterstand hebben op hun disciplinair opgeleide verwanten is hiermee voor mij beantwoord. Maar belangrijker is wat alle universitaire opleidingen van het College kunnen leren: het scheppen van een klimaat dat gunstig is voor academische vorming. Het verbaast me dan ook niet dat de Colleges de jaarlijkse Elsevier-student-tevredenheidsonderzoeken aanvoeren. Hier zit de kwaliteit van de Colleges. Ze zijn goed, niet omdat er een uitzonderlijk docentenkorps rondloopt (het merendeel komt van de ‘gewone’ faculteiten) of omdat iedere student bovengemiddeld intelligent is, maar omdat ze iets bieden dat zeldzaam is binnen het Nederlandse onderwijs: aandacht en de vrijheid zelf richting te geven aan je vorming. De Colleges zijn daarmee een antwoord op de vervlakking en massificatie van het Nederlandse hoger onderwijs.
Is hiermee gezegd dat de Nederlandse Colleges beter zijn dan gewone, disciplinaire opleidingen? Nee, geenszins. Voor diegenen die de meest rechte weg naar een toekomstig beroep willen nemen of passie hebben voor een bepaalde wetenschap zijn de klassieke opleidingen aan de Nederlandse universiteiten onmisbaar. Bovendien, ook in de reguliere opleidingen lopen goede studenten rond, net zoals er rotte appels liggen in de manden van de Colleges. Wel bieden de Colleges, of je ze nu als oase of sekte beschouwt, een plek waar studenten over zowel Shakespeare als moleculaire genetica kunnen denken en schrijven.
In een tijd waarin universiteiten zich gevoeglijk naar de eisen van de markt plooien en een baan vinden belangrijker wordt geacht dan vorming is dat een groot goed.