Bill clintons middenklasseproblemen

De strijd om het Amerikaanse presidentschap lijkt beslist. Bob Dole kan een paar punten op Bill Clinton goedmaken, maar niet zijn volle achterstand van twintig procent.

Clinton heeft zich gewoonweg ontpopt als de betere Republikein. Hij is zover naar rechts opgeschoven dat alleen de volgelingen van Vlad de Spietser nog principiële bezwaren tegen hem kunnen aanvoeren. De kiezers die hij zodoende ter linkerzijde verliest (zwarten, armen, milieu- en burgerrechtactivisten) krijgt hij er aan de rechterkant bij dank zij zijn appèl aan gezinswaarden en zijn bezuinigingen op de sociale zekerheid. Zijn sterkste troef is de aantrekkende economische groei, die hij volgens de regels van het politieke spel zelf heeft bewerkstelligd door op tijd de dollar te devalueren.
Zelfs big business houdt van Clinton sinds hij zijn radicale ideeën over gezondheidszorg, milieubescherming, werkloosheidsbestrijding en een fatsoenlijk minimumloon heeft afgezworen. Hij kan zijn voorsprong consolideren dank zij een goed gevulde verkiezingskas, waaraan de telecommunicatiesector een forse bijdrage heeft geleverd. Clinton en Gore steunen namelijk de kabelmaatschappijen in hun strijd met de telefoonmaatschappijen (vertegenwoordigd door Dole) om de digitale oppermacht in de Amerikaanse huishoudens. Disney-dochter Miramax maakte uit pure dankbaarheid een kwart miljoen dollar over voor Clintons campagne. Als Amerika over vier jaar is bedolven onder de elektronische snelwegen met op elk kruispunt een lachende Mickey Mouse, weten we dus hoe het komt.
Vier jaar geleden struikelde Clinton nog van het ene schandaal naar het andere, ditmaal zijn de Republikeinen de grootste brekebenen. Hun kampioen Newt Gingrich, die bij de congresverkiezingen van 1994 nog triomfen behaalde, is erin geslaagd om zichzelf binnen een jaar af te branden. Zijn jongste blunder is de bewering dat het oprukken van het Spaans de Amerikaanse samenleving bedreigt, een stelling waarmee hij alle Amerikaanse Latinos van zijn partij heeft vervreemd. Met zulke vrienden heeft Dole geen vijanden nodig. Zelfs de Whitewater-affaire heeft zich als een boemerang tegen de Republikeinen gekeerd omdat ze er zo gretig misbruik van maakten.
Het wordt ditmaal dus geen spannende all-American night zoals in 1976, toen Jimmy Carter en Gerald Ford streden om de morele erfenis van Vietnam, Watergate en de CIA-hearings. Het wordt een doodsaaie avond met voorspelbare uitslagen, afgewisseld door het al even voorspelbare commentaar van de movers and shakers van Washington en hun Hilversumse klonen. Belangstellenden kunnen op 6 november beter bijtijds naar bed gaan met een kop warme chocola en een goed boek, bijvoorbeeld The Culture of Contentment van John Kenneth Galbraith.
De strekking van dit boek, verschenen aan de vooravond van Clintons overwinning in 1992, is nog volkomen actueel. Het is bovendien een oase van analytisch inzicht vergeleken bij de vele schotschriften van de laatste jaren, waarin Amerikaanse auteurs de problemen van hun land wijten aan overspelige bijstandsmoeders, foute genen of de morele ontaarding van Hollywood. Galbraith schreef dat Amerika wordt geregeerd door een welvarende, zelfingenomen middenklasse die zichzelf voordoet als de meerderheid, als de economische ruggegraat van de natie en de draagster van de publieke moraal. De ‘tevreden meerderheid’ is slechts een minderheid van de Amerikanen, maar vormt een meerderheid van de kiezers omdat de rest niet meer naar de stembus gaat. Deze meerderheid houdt elke serieuze kandidaat in een electorale wurggreep.
De tevredenen hebben een dubbelzinnige houding tegenover de staat. Enerzijds dient de overheid garant te staan voor hun belangen door middel van pensioenregelingen, subsidies, medische voorzieningen voor welgestelden, politiebescherming en financiële garanties voor rekeninghouders bij faillerende banken. Anderzijds vinden zij het diep onrechtvaardig als de overheid belasting heft ten behoeve van sociale uitkeringen, achterstandsprogramma’s en gratis gezondheidszorg en onderwijs voor de minderbedeelden. Uiteraard is deze houding hardvochtig en kortzichtig - de verarmde 'onderklasse’ is het grootste probleem van de VS - maar sinds het aantreden van Reagan weegt het korte-termijnbelang van de tevreden meerderheid zwaarder dan alle andere politieke overwegingen, aldus Galbraith.
Clinton is dus niet zomaar naar rechts opgeschoven. Hij moest zich neerleggen bij de wil van de tevreden meerderheid, die enkel bereid is te stemmen op een kandidaat die haar materiële belangen veiligstelt. Als hij hiervan afwijkt, wordt hij genadeloos afgestraft, zoals bij de congresverkiezingen van 1994. Daarom is er de afgelopen vier jaar in Amerika weinig ten goede en veel ten kwade gekeerd. De rijkste tien procent van de bevolking is rijker geworden, de armste tien procent armer. Officieel zijn er geen werklozen bij gekomen, maar het aantal mensen dat niet van één baan kan rondkomen is beduidend gestegen. Van Clintons ambitieuze hervormingsplannen met het onderwijs en de gezondheidszorg is niets terechtgekomen. Evenmin van een nationaal milieubeschermingsplan, waarover vice-president Al Gore vijf jaar geleden nog zo'n geruchtmakend boek schreef. Dit jaar kwam Gore in zijn speech op de Democratische conventie niet verder dan een pleidooi tegen het roken, de grootste en veiligste gemeenplaats van de jaren negentig.
Om dezelfde reden praten zowel Clinton als Dole in hun campagne honderduit over de problemen van de middenklasse, terwijl die van de onderklasse veel acuter en op den duur voor het land veel schadelijker zijn.
Vier jaar geleden belichaamde Clinton nog een zeker streven naar sociale verandering. Galbraith achtte hem zelfs de aangewezen man om die verandering teweeg te brengen, maar begin dit jaar, op bezoek in Amsterdam, moest ook hij erkennen dat Clinton hoogstens de totale Republikeinse oorlog tegen de armen heeft kunnen voorkomen. In zijn optiek kan alleen een calamiteit het valse zelfvertrouwen van de tevreden meerderheid doorbreken.
Voor het rijkste land ter wereld is dat een uiterst naargeestig vooruitzicht.