Corona en democratie

Binnen een denkbeeldige cirkel

De coronacrisis laat zien dat de maatschappelijke vrede op een wankel fundament rust. Na de pandemie zullen we nog steeds de maatschappelijke en politieke gevolgen ondervinden van de manier waarop ons sociale leven op dit moment wordt beknot.

Het centrum van Rotterdam wordt wegens de Black Friday-drukte gesloten, 27 november © Robin Utrecht / ANP

Met het cliché ‘Doe ma hewoon, dan doe je á hek henoeg’ prijst de vvv van Zeeland de eilandbevolking als de nuchterheid zelve aan. Van die spreekwoordelijke kalmte en bezonkenheid was geen spoor te bekennen bij de Zeeuw van wie Hans Boutellier onlangs een lift kreeg. Bij het onvermijdelijke onderwerp corona spuide de man het hele QAnon-repertoire aan absurditeiten: die pandemie is een complot, Bil Gates wil chips in mensen implanteren, Rutte is een bloeddrinkende pedofiel, corona is een griepje. Boutellier, sociaal psycholoog en oud-directeur van het Verwey-Jonker Instituut, was er beduusd van, zegt hij. ‘Vooral de overtuiging waarmee hij het bracht, vond ik verontrustend. Er was geen tegenspraak mogelijk. Ik heb dat wel geprobeerd, en zijn conclusie was: hierover gaan we het niet eens worden. Alsof de feiten die ik hem voorhield gelijkwaardig waren aan zijn hersenschimmen.’

Deze ervaring sterkte Boutellier in zijn overtuiging dat het ontwrichtende effect van de coronapandemie lang kan na-ijlen, ook nadat zij dankzij een vaccin is uitgewoed. ‘De coronacrisis werkt als een katalysator van ontwrichtende tendensen: de opkomst van het populisme, het anti-elitedenken, de complottheorieën’, zegt hij. ‘Populisme kun je het best definiëren als politiek die gedreven op zoek is naar een vijand. Het coronavirus is een letterlijk onzichtbare vijand. Er valt ook niet echt een schuldige aan te wijzen. Dat is voor sommige mensen zo frustrerend dat ze naar hem op zoek gaan. Ze snakken naar een schuldige. In een cocktail met de fantasieberichten op sociale media, de clickbaits die daarin werkzaam zijn en de bubbels van verzonnen nieuws waarin mensen zich opsluiten, ontstaat een vruchtbare voedingsbodem voor complotdenken en voor politici die de vijand aanwijzen.’

In gedrukte vorm is het complotdenken beschikbaar in pamfletten als De Andere Krant en Gezond Verstand, in stapels opgetast naast de kassa van de ako. Boutellier: ‘Zo treedt het ook buiten de sfeer van de sociale media. Het is een vorm van ongericht verzet, dat feitenvrije denken. In gepolitiseerde vorm zie je het terug in dat gezwalk van populistische, autoritaire leiders, die niet bereid zijn zich te laten leiden door de rationaliteit. In de coronacrisis pleitten zij eerst voor een soort huisarrest, om vervolgens helemaal naar de andere kant te zwiepen. Toen sprak Wilders opeens over een “anderhalvemeterdictatuur” en zei Baudet Willem Engel achter de schermen te steunen, de man die het mondkapje vergeleek met de jodenster.’

Dat ongerichte verzet zoekt houvast in het coherente verhaal dat het complotdenken biedt, zegt Boutellier. ‘De enige constante in dat denken is dat er een schuldige moet zijn. De vijand wordt altijd concreet. Hij moet verbannen worden, geëlimineerd, dat zit in dat begrip “vijand” besloten.’

Met dit betoog antwoordt Boutellier op de vraag naar de maatschappelijke en politieke gevolgen van de pandemie. Door de afstand die mensen noodgedwongen van elkaar moeten houden vervagen contacten, worden vriendschapsbanden losser, verdwijnen kennissen uit beeld. Het gevolg zie je terug in de verontrustende cijfers over de toenemende eenzaamheid en depressieve gevoelens onder de mensen. Voor het rivm en het ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum was dat aanleiding om een ‘Steunpunt Coronazorgen’ in het leven te roepen. De psychische nood is vooral hoog onder jonge mensen die abrupt uit hun sociale kring zijn weggerukt en onder oude mensen voor wie nu de laatste fysieke contacten, anders dan via de iPad, zijn weggevallen. De komende tijd zal het erom spannen: wat wordt de uitlaatklep?

Zoals eerder de boerenprotesten, toont de coronacrisis dat de maatschappelijke vrede op een wankel fundament rust. ‘We doen het samen’, zo heette het in de eerste besmettingsgolf om de lotsverbodenheid tijdens een crisis die iedereen kan raken onder woorden te brengen. Dat gevoel van solidariteit is niet weg, maar tegelijkertijd komen er nu meer wrok, onbegrip en woede aan de oppervlakte. De vraag is in hoeverre de beknotting van het sociale leven tijdens de coronacrisis een impuls aan dat wantrouwen geeft. Je kunt de veelheid contacten die mensen in normale tijden met anderen onderhouden als een voortdurende oefening in sociale vaardigheden zien. Oog in oog met een ander neem je in een tel uiteenlopende beslissingen om het contact mogelijk te maken: hoe eerlijk moet je zijn, hoe reageer je als hij of zij iets zegt wat je niet aanstaat, in welke mate geef je ook non-verbale signalen? Mensen die dergelijke vaardigheden noodgedwongen voor langere tijd verwaarlozen, blijkt uit onderzoek dat The New York Times aanhaalde, zijn minder lenig in sociale constellaties, met als gevolg dat ze achterdochtiger en minder flexibel in hun contacten worden, en sociaal angstiger, impulsiever en minder tolerant tegenover onbekenden.

Voor het democratische ethos in de samenleving zijn dat geen bevorderlijke eigenschappen. Uit een meerjarig onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) naar de relatie tussen het vertrouwen dat mensen in anderen hebben en het stemgedrag blijkt dat pvv-stemmers het meest wantrouwend zijn. Wie als burger eenzaam in de maatschappij staat, schrijft Noreena Hertz in De eenzame eeuw, is gevoeliger voor xenofobie, voor wij-zij-denken, voor complottheorieën, want hij beziet de maatschappij als vijandig (zie het essay van Joost de Vries in De Groene Amsterdammer van 26 november).

Vandaar de vraag: wat zijn de maatschappelijke en politieke gevolgen van de maatregelen die het sociale leven op dit moment afknijpen?

In zijn boek De improvisatiemaatschappij vergelijkt Boutellier het sociale leven in de moderne netwerkmaatschappij met geïmproviseerde jazzmuziek. Daarin komt de ordening tot stand in een permanente, spontane uitwisseling tussen de musici. ‘In geïmproviseerde jazz ontstaat de muziek tijdens het proces’, licht hij toe. ‘Datzelfde verschijnsel kenmerkt de moderne, complexe samenleving: de sociale ordening krijgt vorm in een onafgebroken keten van actie en reactie tussen al die actoren in de netwerkmaatschappij. In een geslaagde vorm is dat misschien wel de hoogste graad van organisatie die we kennen, hoewel het net als in de geïmproviseerde muziek ook kan misgaan en in chaos ontaarden.’

Het pragmatisme is volgens Boutellier de politiek die het best is toegesneden op de improvisatiemaatschappij. De pragmatische politicus neemt van moment tot moment zijn besluiten, naar bevind van zaken. In zijn laatste boek, Het seculiere experiment, staat Boutellier uitvoerig stil bij wat hij de ‘pragmacratie’ heeft gedoopt. Bij het lezen verscheen premier Mark Rutte al gauw op het netvlies. ‘In de coronacrisis zie je de pragmacratie in werking’, zegt Boutellier. ‘Onder leiding van Rutte neemt de regering week na week de besluiten die haar op dat moment uit het oogpunt van effectiviteit het verstandigst lijken. In de gedaante van het rivm is de wetenschap daarbij de belangrijkste raadgever, niet de een of andere politieke overtuiging.’

Volgens Boutellier is de pragmacratie de politieke erfenis van de ontzuiling. ‘Mijn vader kon zich gewoonweg nog niet voorstellen dat de samenleving kon functioneren zonder de bindende kracht van het geloof of politieke ideologieën. Als niemand meer in God gelooft, zei hij tegen mij, dan wordt het een zooitje, jongen. Maar nee, het is geen zooitje geworden, we hebben de pragmacratie ervoor in de plaats gekregen. En die functioneert, tot op zekere hoogte, goed, zij het met één grote handicap: mensen kunnen er niet in geloven. De pragmacratie mist de bezieling van een ideologisch vergezicht. Het is een koud soort politiek, waarin alleen efficiency en effectiviteit tellen.’

In deze tijd kan dat gebrek aan visionaire kracht van de pragmacratie bij mensen het verlangen wekken naar een helder, eenduidig verhaal over corona, met een even helder beeld van wie de schuldige is. Boutellier herkende die behoefte bij de man van wie hij in Zeeland zijn lift kreeg, bij de auteurs van De Andere Krant en Gezond Verstand en bij de demonstranten op het Malieveld die corona tot een griepje verklaarden en elkaar massaal gingen knuffelen.

Boutellier zag bij de actievoerders van Viruswaanzin op het Malieveld ook de destructieve neiging die in een massa kan kruipen. ‘De aanvechting een nieuw begin te maken, de fik erin te steken, de narigheid van het heden achter je te laten door de sprong in het ongewisse te maken. Ik had dat gevoel ook toen Trump in 2016 werd gekozen: zijn kiezers wilden bovenal een steen door de ruit van Washington gooien. De pragmacratie als antwoord op de complexiteit van het moderne bestaan is voor die mensen onbevredigend, te kaal, want zij geeft naast redelijke besluiten niks extra’s. Geen bezieling, geen passie, niets om voor te vechten.’

Drukte in het centrum van Amsterdam, 25 juli © Robin Utrecht / ANP
‘Er valt geen schuldige voor het virus aan te wijzen. Mensen snakken naar een schuldige’

Maar ook bij mensen die niet in complotten geloven en de onzin van QAnon doorzien is het afwachten wat de langetermijneffecten zijn nu het dagelijks bestaan zo overhoop is gegooid. De filosoof en theoloog Paul van Tongeren, emeritus hoogleraar aan de Radboud Universiteit, zette zich in de coronapandemie aan de studie van Massa en macht, de klassieker van de Oost-Europese schrijver Elias Canetti, voor het eerst gepubliceerd in 1960. ‘Om te begrijpen wat er nu aan de hand is’, zegt Van Tongeren, ‘moet je goed bestuderen wat een massa nu precies is. Volgens Canetti zijn we geneigd te veel vanuit een individualistisch perspectief naar de massa te kijken: we proberen haar te begrijpen als een groep individuen met ieder zijn eigen wil. Daarmee ontgaat ons dat de massa een eigen, autonome dynamiek heeft, een eigen kracht, een eigen wil.’

Meer inzicht in die massadynamiek kan volgens Van Tongeren behulpzaam zijn bij de duiding van de plotsklapse stemmingswisselingen die zich tijdens de pandemie in de samenleving voltrokken. ‘In het begin was de stemming dat het allemaal wel zou meevallen. Ach, in Italië hebben ze een probleem, hoorde je, en zelfs toen het virus België bereikte werd het nog gebagatelliseerd. En plotseling sloeg de maatschappelijke gemoedstoestand om in een bijna panische angst, die de samenleving stillegde. De straat zag er opeens weer zo uit als in mijn kindertijd. En nu, dik een half jaar later, zegt bijna de helft van de bevolking dat ze nog maar moeten zien of ze zich laten vaccineren. Dat wijst op zorgeloosheid over hetzelfde virus dat ons eerst verlamde van de schrik.’

Dat soort radicale omslagen houden iets raadselachtigs wanneer je de massa vereenzelvigt met een groep individuen die ieder voor zich een weloverwogen beslissing nemen. Bij het individu wordt wispelturigheid nog geremd door de rede. Bij de massa ontbreekt die rem.

‘Waar het individu in zijn denken wikt en weegt, dus stapsgewijs te werk gaat, kan de massa subiet omslaan van het een naar het ander, van vreugde naar woede, van angst naar zorgeloosheid’, zegt Van Tongeren. ‘Mede daarom ben ik Canetti gaan lezen. Ik vermoed dat hij met zijn analyse van die autonome dynamiek van de massa een beter zicht geeft op wat er nu in de samenleving gebeurt dan de deskundigen in het Outbreak Management Team. Het omt peilt en meet bijna permanent de opvattingen van individuele Nederlanders over corona, om te beoordelen hoe groot het draagvlak voor de crisismaatregelen is. Maar daarmee weet je nog niet wat de massa ervan vindt en zal doen.’

Een van de dingen die de massa bij uitstek niet doet, zegt Van Tongeren, is nadenken. ‘In de massa kun je haast niet anders dan doen wat de anderen doen: volgen. Zelf nadenken, je eigen afwegingen maken, dat hoeft niet meer als je deel van de massa bent geworden.’ Voor het individu kan de ervaring op te gaan in de massa een bevrijdend gevoel zijn, meent Canetti: het wordt verlost van de noodzaak bij alles wat het doet zijn afwegingen te maken, het hoeft alleen maar met de anderen mee te bewegen. Dat lucht hem op, zo beschrijft Canetti die ervaring.

Nadenken kan alleen het individu, zegt Van Tongeren. Het is op zichzelf teruggeworpen, dus moet het bij alles wat het zegt en doet zich eerst afvragen wat verstandig is. Met dat bewustzijn, betoogt Van Tongeren, begint de cultivering van de omgangsvormen tussen mensen, een van de hoofdthema’s van Massa en macht.

De openingszinnen maken dat boek al hyperactueel. Canetti schrijft: ‘Voor niets is de mens meer beducht dan voor aanraking door iets onbekends. Hij wil zien wat naar hem grijpt, wil het herkennen of op zijn minst kunnen thuisbrengen.’ Dat zijn zinnen die herkenbaar het gevoel beschrijven van onberekenbaar gevaar sinds een onbekend virus toesloeg. Niettemin bedoelde Canetti zijn woorden eerder letterlijk dan metaforisch. In het vervolg staat hij stil bij de ‘aanrakingsvrees’ die in de menselijke aard zit ingebakken: iedereen heeft behoefte aan een denkbeeldige cirkel om zich heen waarbinnen hij alleen mensen toelaat die hem echt vertrouwd zijn. Met anderen vermijdt hij als het even kan de aanraking.

Canetti illustreert deze ingeboren menselijke neiging met een beschrijving van wat er gebeurt als je buiten per ongeluk iemand aanraakt. Prompt verontschuldig je je, maar dan nog is de spanning niet direct weg: wordt het excuus beantwoord? En zo niet, hoe bedwing je dan de afkeer die je jegens de ander voelt opkomen? Canetti concludeert: ‘Dit hele complex van innerlijke reacties tegen aanraking bewijst door zijn labiliteit en geprikkeldheid dat het hier iets zeer kwetsbaars betreft wat diep in de mens voortdurend waakzaam is, en hem nooit meer verlaat zodra hij de grenzen van zijn persoon eenmaal heeft vastgesteld.’

Een manier om je te bevrijden van de aanrakingsvrees, vervolgt Canetti, is opgaan in de massa. In de massa verdwijn je als individu, want je wordt deel van een geheel met andere, specifieke eigenschappen. De prijs is wel dat je een kuddedier wordt. En zo ontstond het sociale leven: een beschavingsvorm die je in staat stelt om met anderen te verkeren zonder in de massa op te gaan. Dat sociale leven is een bouwwerk van codes, geschreven en ongeschreven regels, rituelen, zeden en gebruiken die vormgeven aan de omgang tussen mensen. Kortom: cultuur.

‘Op de keper beschouwd ontstaat cultuur uit het proces van cultivering: een voortdurende oefening in etiquette, in vormelijkheid’, zegt Van Tongeren. ‘De wereld tussen het solitaire individu aan de ene extreme kant en het kuddedier aan de andere is die van de cultivering. Zo leren mensen, ook als ze ver van elkaar afstaan, met elkaar om te gaan, worden ze sociale wezens en kunnen ze een samenleving vormen. Canetti zou zeggen dat de cultivering het mogelijk maakt om onze aanrakingsvrees te overwinnen, zonder dat te doen op die vergaande, volstrekt onbeheerste wijze van de massa.’

Een klein, maar volgens Van Tongeren niet onbelangrijk voorbeeld van het cultiveringsproces is het groeten. ‘Door iemand te groeten, wens je de ander het goede toe – een goede dag, een goede avond – en erken je hem daarmee als iemand die er mag zijn. Natuurlijk, dat is wel een heel sterke uitvergroting van wat je expliciet zegt en bedoelt, maar iedereen zal het verschil herkennen tussen degene die je zonder een blik of woord voorbijloopt en iemand die je groet.’

Hij schrok, zegt hij, toen hij in de eerste maanden van de epidemie ondervond hoe broos de vormelijkheid tussen mensen is. Op straat zag hij dat omzichtigheid kon omslaan in schichtigheid als mensen elkaar per ongeluk in de weg stonden of als de een vond dat de ander te dichtbij kwam. Hij ervoer dat ook zelf, bij de uitgang van de winkel waar zijn vrouw Franca en hij de dagelijkse boodschappen doen.

‘Ik had dat vooral in het begin’, zegt hij, ‘tijdens die intelligente lockdown. Zoals zoveel mensen was ook ik onder de indruk van wat er allemaal in korte tijd in ons leven was veranderd. Hoe groot waren de gevaren? Waar moesten we allemaal voor oppassen? Bij de winkel ging Franca doorgaans naar binnen en bleef ik buiten wachten. Wat ik merkte was dat ik een korte schrikreactie had als zij uit de winkel kwam en mij aanraakte. Zó snel was het afstand houden gewoon geworden: ik schrok zelfs van een aanraking door degene die ik thuis de hele dag aanraak. Verdomd, dacht ik, dat is wat ik net in Canetti heb gelezen: die schil van cultuur, de vormelijkheid die we tussen elkaar in acht nemen, dat is maar een dun vliesje. Altijd sluimert die aanrakingsvrees die nog diep in onze genen zit.’

Vandaar dat Van Tongeren concludeert dat de beperkingen die de overheid aan de bewegingsvrijheid heeft opgelegd, hoe noodzakelijk ook uit het oogpunt van volksgezondheid, nog lange tijd een verstorend effect op het sociale leven kunnen hebben, ook nadat het virus is beteugeld.

‘Al vóór corona zochten mensen bevrijding door zich in een massa onder te dompelen’

De beknotting van het sociale leven versterkt volgens Van Tongeren de neiging van mensen om zich in het vertrouwde kringetje van het eigen gezin en naaste verwanten terug te trekken. In de politieke sfeer is de identiteitspolitiek een verschijnsel van die aandrang: het streven naar een gesloten samenleving die terugvalt op het eigene en zich afkeert van het vreemde. Van Tongeren heeft een concreter voorbeeld: ‘In nieuwbouwwijken zie je al sinds geruime tijd behalve huizen geen enkel gebouw waar mensen elkaar tegenkomen. Geen kerk, geen buurthuis, geen kroeg, geen winkels, op dat ene grote winkelcentrum met een of meer supermarkten na. Maar daar kom je elkaar niet tegen, daar ga je onder in de massa.’

Hij zet dat geïsoleerde bestaan in de nieuwbouwwijk af tegen de gemeenschapsvorming die als vanzelf optreedt in een wijk waarin de spontane ontmoeting als het ware is ingebouwd. ‘Wanneer je het geluk hebt ergens te wonen waar nog kleine buurtwinkels zijn – een groenteboer, een drogist, een slager, een bakker – zul je tijdens het boodschappen doen op allerlei manieren mensen ontmoeten. Je gaat er op de fiets of lopend naartoe, zodat je onderweg iemand kunt tegenkomen, en anders is de kans groot dat je in de winkel een bekende ziet. Je koopt aan een toonbank, waarachter iemand staat die je vertrouwd is als je er regelmatig komt. Maar zelfs als hij of zij geen bekende is, groet je – wat je niet of nauwelijks doet bij de vakkenvullers in de grote supermarkten. En dankzij de zelfscanners kom je daar zelfs niet meer langs een mens aan de kassa. Je hebt er geen ontmoetingen meer die je leren iemand te groeten, voor te laten gaan of aan te kijken als je hem iets vraagt. Een stevige voedingsbodem voor Canetti’s aanrakingsvrees, in de overdrachtelijke zin van dat woord.’

Viruswaanzin wil zonder vergunning demonstreren tegen de coronamaatregelen. Den Haag, 28 juni © Sandra Uittenbogaart / De Beeldunie

Van Tongeren vreest dat de noodgedwongen restricties die de overheid aan het sociale leven oplegt ook voor de democratie gevolgen kunnen hebben die nog niet één-twee-drie voorbij zijn als de pandemie uit de wereld is. In haar maatschappelijke betekenis rust de democratie niet alleen op een stelsel van formele regels, procedures en instituties, maar ook op een morele kwaliteit: de bekwaamheid om je achterdocht tegenover mensen die je onbekend zijn in te tomen. Een sociaal bewustzijn – het besef dat je met anderen leeft en lang niet altijd het laatste woord zult hebben of volledig je zin zult krijgen – is een andere levensvoorwaarde voor een volwaardige democratie.

‘Ook de democratie is een vorm van cultivering van de manier waarop mensen met elkaar omgaan’, zegt hij, ‘een methode om conflicten vreedzaam, zonder geweld op te lossen. Aan de veerkracht van zo’n democratie draagt een levendig sociaal bestaan met een veelheid aan ontmoetingen zonder meer bij. Dus zo gek is het niet om rekening te houden met repercussies op de democratie als het sociale leven langere tijd op zo’n laag pitje staat.’

Volgens Van Tongeren kun je de democratische gezindheid van een politieke leider mede afmeten aan de organisatievorm die hij voorstaat. Kiest hij voor de partijvorm of zet hij zich liever aan het hoofd van een beweging? ‘Wat de etiquette is in het sociale contact, dat zijn partijstructuren in politieke actie. Een politicus in een democratisch georganiseerde partij moet zich binden aan het partijprogramma, hij moet het via het bestuur spelen als hij wil dat er iets verandert, hij heeft een verantwoordingsplicht jegens de leden, hij moet respect opbrengen voor het congres en andere tegenmachten die in de partij zijn geïncorporeerd. Dat zijn allemaal structuren die hem binden, als de touwen van Odysseus. Ze dwingen de politicus om te argumenteren, om consistent te zijn, om zich voor zijn keuzes te verantwoorden. Precies de eisen die we ook stellen aan gecultiveerde omgangsvormen.’

Politieke bewegingen zonder dit soort dwingende partijstructuren hoeven niet aan die eisen te voldoen. Ze roepen het beeld op van een golf die zijn eigen dynamiek heeft, vergelijkbaar met die van de massa. ‘Een historisch voorbeeld is de nsb, de Nationaal-Socialistische Beweging. Anders dan de democratisch georganiseerde partij is een beweging een makkelijke prooi voor een politicus die alle macht aan zichzelf wil hebben. Ik heb onlangs De zoon van de eeuw van Antonio Scurati gelezen, het eerste deel van een trilogie over Benito Mussolini. Het is intrigerend om te lezen hoe Mussolini meebewoog op de golven van de massa. Iedere keer dat hij een uitspraak deed of actie ondernam, handelde hij niet op eigen houtje, maar op aangeven van zijn beweging. Zijn politieke instinct fluisterde hem in dat hij zijn aanhang het beste zou kunnen leiden door zich op zijn beurt door hen te laten leiden. Een fascinerend samenspel.’

Het voorbeeld van Mussolini staat niet op zichzelf, meent Van Tongeren. ‘Het is een kenmerk van populistische voormannen dat zij zich zowel door hun beweging laten dragen als daar leiding aan geven. Dat geeft ze de nodige speelruimte om opportunistisch bezig te zijn. Kijk hoe onze twee populistische leiders in de coronacrisis voortdurend van standpunt switchten, al naar gelang wat ze dachten dat electoraal het meest profijtelijk was. Een van de twee lijkt zich daarin danig te hebben vergist, maar dat laat vooral zien dat hij als populistische leider heeft gefaald.’

Op de vraag wat beleidsmakers kunnen doen om de nadelige maatschappelijke en politieke gevolgen van de pandemie op te vangen, antwoordt Paul van Tongeren: ‘Ik vrees dat we in de eerste plaats geduld moeten hebben. Al vóórdat het virus het sociale leven afkneep zag je dat mensen zich ofwel meer op zichzelf terugtrokken, ofwel bevrijding zochten door zich in een of andere massa onder te dompelen. De afstandsregels, bedoeld om de pandemie in de teugels te houden, hebben dat verschijnsel duidelijker zichtbaar gemaakt en misschien nog een extra zetje gegeven. Dus: geduld is geboden.’

Dat neemt niet weg, zegt hij, dat ook nu al in de beleidsmatige sfeer het een en ander mogelijk is om de sociale ordening te verbeteren. ‘De twee extremen waaruit het probleem lijkt te bestaan wijzen al in de richting waarin we de oplossing zouden moeten zoeken: in beide extremen is er geen sprake van gemeenschap. Of, genuanceerder: aan de ene kant vind je het individu en de kleine en hechte groep van gezin of verwantenclub, aan het andere uiterste is er de massa. Wat ik bedoel met “gemeenschap” zit daar tussenin. Een tegenbeweging zou zich moeten inzetten voor beleid om gemeenschappen te herstellen, te ontwikkelen en te cultiveren. Neem de manier waarop wijken worden gebouwd, theaters gesubsidieerd, scholen georganiseerd onder de loep, om te bezien hoe de volkshuisvesting, de cultuur en het onderwijs het beste kunnen bijdragen aan de vorming van gemeenschappen waarin mensen met anderen leren omgaan. Natuurlijk heb je hiermee nog geen garantie op een sterk democratisch ethos, maar ik denk dat zo’n ethos wel op dit elementaire vlak geleerd en geoefend moet worden.’

Wat bedoelt hij met het altijd wat vage woord ‘gemeenschap’? Van Tongeren: ‘Gemeenschappen moeten niet al te groot zijn: je mag er je individualiteit niet in verliezen. Maar ze moeten wel groter zijn dan het gezin waar je deel van uitmaakt of je vriendengroep. Je moet er “vreemden” tegen kunnen komen. Alleen zo leer je je bij anderen net zo te gedragen als je bij de mensen in je meest nabije kringetje zou doen, of beter: jegens “vreemden” niet te doen wat je tegenover je naast-verwanten niet zou doen.’

In De eenzame eeuw adviseert Noreena Hertz als wapen tegen de eenzaamheid: heropen bibliotheken, investeer in buurtcentra en lokale sportclubs, richt kantoren anders in, geef werknemers meer rechten. In zijn Groene-essay trekt Joost de Vries daaruit de conclusie: pak de eenzaamheid aan en je pakt het populisme aan.

Boutellier zoekt het tegenwicht in dezelfde richting. ‘Ik zie veel in wat Karl Popper ‘piecemeal engineering’ noemde: op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis kleine stappen in de goede richting zetten. De welvaartsstaat is door de neoliberale wasstraat gegaan en een schraal en in zichzelf gekeerd systeem geworden. Geleidelijk aan zal dat weer moeten worden opengebroken. Wat bedoel ik daarmee? Instituties en maatschappelijke organisaties die de kwaliteit van leven bepalen – zorginstellingen, woningcorporaties, de Belastingdienst, de politie, het onderwijs – zijn in de afgelopen jaren door en door verbureaucratiseerd en geprofessionaliseerd. Zozeer dat ze de echte problemen van mensen vaak niet zien. Over het algemeen zijn de medewerkers welwillend en goed in hun vak, maar zitten ze vast in een systeem dat niet de goede zorg maar het eigen voortbestaan vooropstelt.’

Boutellier herinnert zich een lezing van de Britse politiek filosoof Maurice Glasman, Hogerhuislid voor Labour. ‘De grote taak voor deze tijd, zei hij, is how to get more love into the system. Volgens mij slaat dat de spijker op zijn kop.’

Hoe krijg je meer liefde in een systeem dat zo lang door neoliberaal marktdenken is vervormd? ‘Cruciaal is dat wederkerigheid weer voorop komt te staan. Dus: de instituties die zo wezenlijk zijn voor de kwaliteit van het bestaan moeten weer vooropzetten wat zij voor de mensen kunnen doen, maar ook wat ze in ruil terugverwachten. Het tekenen van een huurovereenkomst, bijvoorbeeld, moet een betekenisvol moment zijn: “Wij leveren betaalbare huisvesting in een leefbare omgeving, zorg jij dan als huurder voor een fijne portiek.” Dat is een kanteling waar de politiek aan kan werken. Ik hoop maar dat de toeslagenaffaire daar een impuls aan kan geven.’