Ik ben net wakker en lig naar de boeken op mijn nachtkastje te kijken. Die onderop liggen, liggen er het langst. Sommige al een jaar denk ik, wat niet betekent dat ze liggen te verstoffen. Stel je voor, ik lig ontijdig wakker en wil een verhaal lezen van Mary Gaitskill. Ze schrijft over liefde en vernieling, verlangen en afstoten. Bad Behavior heet de bundel, en omdat ik af en toe niet kon geloven wat ik las, heb ik ook de Nederlandse vertaling op de kop getikt, Niet netjes, die ligt erbovenop. Wat me telkens treft is de terloopse meedogenloosheid waarmee mensen zich aan elkaar vastklampen alsof ze elkaars ribben willen breken. ‘A Romantic Weekend’ is een van de engste verhalen die ik ken.

De verhalen van Katherine Heiny in Single, Carefree, Mellow ken ik van achteren naar voren, en toch wil ik dat het hier blijft liggen. Iedere keer kan ik verrast lezen over vrouwen die gruwelen van hun (bed)partners en tegelijkertijd clementie hebben ten aanzien van hun onhebbelijkheden, en zichzelf met grote verbeelding een heroïscher bestaan dromen. Ik heb iets aangestreept omdat het me aan Patricia de Martelaere deed denken, het is een verzuchting over de hoeveelheid tijd die in een mensenleven heen gaat met gesprekjes voeren over wegbrengen en ophalen, en verkeersdrukte en hoelang je iets moet koken, waar nog een goeie elektricien te vinden is.

Nicole Krauss is een stuk ‘normaler’, maar toch lees ik haar verhalen ook graag. Ze zijn zelfs beter dan ik dacht, ik weet niet goed waarom ik dacht dat ze gewoon, zo’n schrijfster zou zijn, misschien omdat ze met Jonathan Safran Foer was. Het openingsverhaal van Een man zijn knalt erin, over de herinnering aan een Zwitsers internationaal schooljaar, waarin de vertelster de Iraanse Soraya leert kennen die zich laat verleiden door een Nederlandse bankier. IJzersterk zoals Krauss de sensatie oproept ergens met je neus bovenop te staan en het toch niet te kunnen vatten.

Kenmerkend voor het nachtkastje is dat er drie boeken liggen waarvan ik me afvraag of ik ze nog ga lezen. Dit is wel het type boek dat er te lang kan liggen, en straks het momentum is gepasseerd. Evy Wyld, Wij zijn de wolven trok me aan omdat het zich in Schotland afspeelt. Als ik het nu opsla, vind ik het tegelijkertijd te breed en te random beginnen. Ik merk dat ik steeds slechter tegen ‘toevallig’ schrijven kan, en er is niet echt iets dat me over de streep trekt om op toevallig lezen over te gaan.

Ik weet weer waarom ik au fond het liefst fictie lees: omdat het alle ruis uit non-fictie doet verdampen

Zelfde categorie: Frank Tallis, Leven. Altijd aantrekkelijk, de belofte dat ‘de grootste psychologen’ iets vertellen over ‘geluk, onbehagen en zingeving’, maar als in de praktijk iemand een zouteloze introductie schrijft, vol zogenaamde indelingen en retorische vragen – ‘Waar vinden we onszelf?’ – knip ik het licht uit. Ik weet weer waarom ik au fond het liefst fictie lees: omdat het alle ruis uit non-fictie doet verdampen.

Er is een boek dat iemand anders op mijn nachtkastje heeft gelegd: Jij hebt ons niet ontdekt, van Massih Hutak. Lastig, een leesopdracht die je in de maag wordt gesplitst, maar in dit geval snap ik het wel. We zijn in Amsterdam-Noord gaan wonen, en moeten daarvoor gestraft worden. Ik haal het nú van mijn nachtkastje, dit is iets voor overdag.

Ben ik er al? O, opengeslagen onder mijn bed, Celia Paul! Zij schreef Self-Portrait dat ik zo mooi en saillant vind dat ik er nog twee exemplaren van heb besteld om cadeau te doen, niet toevallig aan twee vriendinnen die nog steeds denken dat de man het genie is, en de vrouw de muze, naar believen te bepotelen bovendien. Ik lees dit héél langzaam, want ik moet ervoor in de stemming zijn, en het aan kunnen.

Ik heb niet echt een boek nu waaraan ik verslingerd ben, en ik mis het. Vervangende categorie altijd-goed ligt naast mijn hoofdkussen: Ex Libris van Michiko Kakutani. Ik moest er even aan wennen, de droge toon waarmee deze ooit-gevreesde New York Times-critica een soort wereldgeschiedenis schrijft aan de hand van meer dan honderd oude en nieuwe boeken, maar ik voel me nu alsof ik nachtcolleges bij haar loop.

Ik moet opstaan, de krant van de deurmat pakken. Nog heel even. Zolang ik naar de boeken op mijn nachtkastje kijk weet ik dat er meer is, daarbuiten.