Binnenruimte

In 1922, het jaar dat The Waste Land van T.S. Eliot, Ulysses van James Joyce en Zangezi van Chlebnikov werden gepubliceerd, voltooide Rainer Maria Rilke zijn Duineser Elegien, waaraan hij tien jaar had gewerkt.

De moderne literatuur was definitief begonnen. De Duineser Elegien waren in de eerste plaats voor Rilke zélf modern. De poëzie is niet echt modernistisch, maar in Rilke’s ontwikkeling betekende ze een ferme stap voorwaarts. Zoals W. Blok, W. Bronzwaer en C.O. Jellema, de vertalers, inleiders en commentatoren van deze prachtige Ambo-uitgave schrijven, bekroonden de Duineser Elegien Rilke’s poging ‘om een nieuwe, eigentijdse opdracht voor een dichter te formuleren; een opdracht die tegelijk voor de lezer gold en die rechtstreeks te maken had met de fundamentele levensvragen die de mens stelt’.
Rilke wilde met zijn nieuwe werk 'een nieuwe, postchristelijke mytologie’ tot stand brengen. Het is niet verwonderlijk dat de elegieën over leven en dood gaan, over de zin van het leven en de zin van de dood. De grote levensvragen, derhalve.
De Duineser Elegien sluiten eerder aan bij de grote Duitse romantische traditie dan bij het literaire modernisme. Rilke weet dan ook met name door zijn poëtische zeggingskracht, zijn intensiteit en bezieling de lezer aan te spreken. We lezen de elegieën als de zeer persoonlijke verbeelding van een zeer persoonlijke tocht naar de Weltinnenraum - een term van Rilke zelf.
Rilke wilde een eigen, persoonlijke mythe creëren, die tegenover de christelijke mythe gesteld kon worden. In het besef dat er een nieuwe tijd was aangebroken, zag hij ook een nieuwe mens ontstaan. En die nieuwe mens had een specifieke taak: 'een nieuwe zingeving voor het bestaan te ontwerpen en wel door de “verinnerlijking” te verkondigen’. Een bestaan in een zogenaamde Weltinnenraum, een ruimte zonder tijdelijkheid, zonder heden en verleden, en waarin de dood slechts een andere verschijningsvorm van het leven is.
Over de reis naar die mythische, of mystieke ruimte, lezen we in Rilke’s tien wonderschone gedichten, waarvan de laatste zo begint: 'Dat ooit, aan het eind van bitter begrijpen, mijn zingen/juigend en prijzend opklinkt naar instemmende engelen.’ Ook al is iedere engel 'schrikwekkend’.