Biograaf en tegenpool

Edmund White, Genet. Chatto & Windus, Londen 1993, \f80,75{ Edmund White, The Burning Library. Chatto & Windus, Londen 1994, f65,80
Boef, auteur, toneelschrijver en mannenaanbidder. Jean Genet (1910-1986) is een mythe. Niet in het minst door zijn zelfmystificatie in zijn autobiografische romans - zie de volgende pagina’s van deze Groene. Genets leven is dan ook een tour de force voor een biograaf. Voor Edmund White dus. Een gesprek met hem.

ALS. ALS DE VRIEND, die het trouwens toen al met mannen deed, voor geld zelfs - in 1956, Cincinnati, Ohio, stel je voor - als die jongen was komen opdagen op het afgesproken uur, om tien uur ’s avonds bij het busstation, en als hij de twintig dollars die hij van de jonge Edmund had gekregen niet in zijn eigen zak had gestoken maar er daadwerkelijk de beloofde tickets voor had gekocht, dan waren die twee ongetwijfeld samen naar New York City gevlucht, om daar een wild, homoseksueel en vooral ouderloos leven te beginnen.
En dan was Edmund zeker ook hoerenjongen geworden. Een vingervlug diefje, met een strafblad en kennissen die ‘Little Fuck Joey’ en 'Sucker Billy’ zouden heten.
Dan had de biograaf misschien iets meer op zijn onderwerp geleken dan hij nu doet.
Want Edmund White werd weliswaar geboren in een keurige familie, die zich net, met de hakken over de sloot tot de gezegende kaste der miljonairs mocht rekenen - zeg dat ze zo'n anderhalf miljoen op de bank hadden staan - maar op zijn zestiende had de jonge White al meer dan genoeg van de station-cars, de honkbaluitslagen en de fuiven waar hij met meisjes moest schuifelen. Dus zou hij met de vriend die vier jaar ouder was en zich gedroeg alsof hij honderd jaar meer ervaring had, het echte, rauwe leven opzoeken dat zich ergens in the Village af moest spelen.
Edmund heeft anderhalf uur op hem staan wachten, bepakt en bezakt; pas toen de Greyhound al was vertrokken richting New York, zonder hem en zonder vriend (bijna veertig jaar na dato ziet Edmund nog steeds hoe de achterlichten vervagen in de verte) kon hij er toe komen zijn koffer op te pakken en het ouderlijk huis weer binnen te sluipen, net zo voorzichtig als hij het twee uur daarvoor verlaten had.
Dus kreeg Edmund geen strafblad, maar behaalde een jaar later zijn middelbare- schooldiploma en vertrok hij alsnog naar New York, met instemming van zijn ouders ditmaal, die voor zijn studie betaalden.
Dus werd hij een Amerikaanse schrijver met een academische graad, die zich later in Parijs zou vestigen en die zeven jaar lang het leven van Jean Genet zou bestuderen.{ U heeft een boek geschreven over het soort leven dat u ook had kunnen leiden, als de omstandigheden net iets anders waren geweest?
'Als je je zolang en zo intensief met iemand wilt bezighouden als ik met Genet heb gedaan, moet er wel sprake zijn van een persoonlijke fascinatie. Toen ik als twintigjarige Amerikaanse student zijn roman Onze Lieve Vrouw van de Bloemen onder ogen kreeg, kon ik mijn ogen niet geloven. De vanzelfsprekende toon, dat schaamteloos openhartige geschrijf over onderwerpen die in de Amerikaanse media nauwelijks bij hun naam genoemd werden. Vergeet niet dat ik nog tot de generatie behoor voor wie homoseksualiteit tot diepe crises en een breuk met je ouders leidde. Toen ze bij mij thuis hoorden dat ik het met jongens hield, wilden ze me acuut naar een psychiatrische inrichting brengen. Mijn vader was ervan overtuigd dat de artsen er goed aan zouden doen mij op een gesloten afdeling te plaatsen en de sleutel daarna weg te gooien.
En dan word je plotseling met een Franse schrijver geconfronteerd die zich niet alleen laat voorstaan op zijn homoseksuele ervaringen, maar die in een adem door ook nog eens diefstal, hoererij en verraad verdedigt.’
Ik kan me ook voorstellen dat een Amerikaanse student eind jaren vijftig zijn schouders ophaalde over zoveel Franse onzin.
'Ik ging dan wel gekleed in blazer en droeg penny-shoes, maar ik was wanhopig op zoek naar het slechte leven’, zegt White met een malicieus glimlachje. 'En als zoveel Amerikanen die een zekere hang naar het artistieke vertonen, associeerde ik Frankrijk met decadentie en dat extra beetje verdorvenheid dat de Amerikaanse samenleving leek te missen.
Toen ik eind jaren zeventig besloot om naar Parijs te verhuizen, leefde Genet nog en was ik helemaal niet van plan om een biografie over hem te schrijven. Maar achteraf realiseer ik me dat de ambiance die ik zocht wel degelijk met het type kunstenaar te maken had dat Genet voor mij vertegenwoordigde: op de een of andere manier strekt het een Franse artiest of intellectueel tot eer om subversief te zijn en zich af te zetten tegen gangbare standpunten; zelfs rechtse politici die zelf een hele andere mening zijn toegedaan, leggen een heilig ontzag aan de dag voor iedereen die pretendeert een nazaat te zijn van Voltaire.
Als ze in Amerika horen dat je schrijver bent, vragen ze je wat je in godsnaam overdag doet. Hier weet men kunst nog op waarde te schatten’ - en White lacht er schetterend bij, ongeveer zoals de trompetten klinken in dat stuk van Gershwin, An American in Paris.
JOIE DE VIVRE. Wanneer je dat heel langgerekt uitspreekt, alsof je kauwgum in je mond hebt, en de 'r’ van 'vivre’ afstompt tot een dikke 'w’, krijg je enig idee van White’s omgang met de Frans taal.
Na dertien jaar klinkt de auteur nog steeds als een enthousiaste Amerikaan die gisteren voor het eerst voet op Franse bodem zette; en ook zijn ideeen over wat in zijn ogen typisch Europese gewoonten moeten zijn, hebben in die tijd nauwelijks veranderingen ondergaan.
Wanneer hij me binnenlaat in zijn appartement, dat vlak achter het Centre Pompidou ligt, spreidt hij theatraal zijn armen en roept me uitnodigend toe: 'You want some champaagne, champaagne?’
Het laatste reepje middagzon wordt net van de muur geveegd. Als ik om koffie vraag, lijkt White oprecht teleurgesteld.
En later die avond, wanneer we eten in zijn vaste restaurant met de knipmessende obers, zal White niet moe worden de klanten die binnenkomen te waarschuwen voor het gemene afstapje, vlak bij de deur; en een ieder die te lang door het gangpad drentelt, wijst hij behulpzaam de weg naar de wc.
De Parijzenaars reageren stuk voor stuk verschrikt. De man doet vreemd. De man doet aardig.
Pas als ze zijn Amerikaanse accent horen, lijken ze enigszins gerustgesteld. O, een buitenlander, dat verklaart de zaak.
'Amerikanen’, suggereer ik White, 'verraden zich in Europa consequent door hun vriendelijkheid.’
'En homoseksuele Amerikanen zoals ik’, vult hij aan, 'zijn nog sterker behept met deze sociale ziekte dan de rest van mijn landgenoten.’
Hij zegt het niet tevreden of koket. En alsof de overgang voor de hand ligt, vervolgt hij: 'Hoe meer ik over Genet te horen kreeg, des te groter mijn bewondering voor hem werd. Begrijp me goed, hij was volgens mij niet het prototype van de aardige vent - niet iemand die je per se op je verjaardagsfeestje zou willen uitnodigen. Ik heb Genet nooit in levende lijve ontmoet, maar uit de beschrijvingen van kennissen en minnaars komt hij naar voren als een moeilijk, gesloten en narrig mens. Het leek hem weinig te kunnen schelen wat anderen van hem dachten. Zelf zei hij dat het hem niet altijd makkelijk was gevallen om zijn vrienden te verraden, maar dat het ach teraf toch altijd weer de moeite had geloond. Daar zit natuurlijk ook een forse dosis grootspraak bij; zeker de jonge Genet liet geen gelegenheid voorbijgaan om zijn immorele karakter te onderstrepen. Maar voor een belangrijk deel was het ook werkelijk zijn levenshouding.
He didn’t want to be charming - heel anders dan ik en al die andere nichten van mijn leeftijd, die de angst voor het verbodene nog diep in de botten zit; we hebben de neiging ons bij voorbaat te verontschuldigen, we doen onze uiterste best om bij onze omgeving in de smaak te vallen. Vind ons alsjeblieft leuk en onderhoudend - dat is waar we naar streven.
Genet had daar geen last van. Er hing niets gezelligs rond die man. Hij heeft een keer in zijn leven een poging ondernomen om voor zichzelf een appartement te bemachtigen, waar hij samen met een van zijn geliefdes een vast en geregeld bestaan zou gaan leiden. Hij hield het er nog geen week uit. Hij kon en wilde niet verburgerlijken. Werd ook niet milder of minder radicaal op latere leeftijd. Integendeel, hij raakte steeds meer onthecht; het kon hem bijvoorbeeld niet meer schelen hoe hij eruit zag en of de jongens hem nog wel aantrekkelijk vonden. Dezelfde onverschilligheid, dezelfde nonchalance die ik eigenlijk alleen maar ken van wat rijpere hetero-kerels die geld hebben en een vrouw en dus hun buik durven laten hangen.
Genet is een van die mensen die volstrekt soeverein en onsentimenteel oud werden; diep in mijn hart moet ik dat hoogst opmerkelijk vinden, vooral voor een homoseksueel.
Zelf nog niet die graad van onthechting bereikt?
Bij wijze van antwoord gooit White zijn armen in de lucht en persifleert zichzelf: 'Champagne, champagne.’
De ober komt ogenblikkelijk aangerend. Wat beliefde mijnheer?
Nee, nee, legt White uit, ik wilde duidelijk maken dat ik altijd probeer te charmeren.
De jongen druipt af, draait zich nog een keer om (wij zien een smal Frans gezicht met een perfect onderhouden, warrige haardos) en White constateert: 'Snoepje, wel.’
Vraagt zich daarna prompt af: 'Denk je dat-ie me leuk vindt?’
Mompelend, en nog een keer over zijn schouder kijkend: 'Genets leven is inspirerend genoeg, maar ook ongemakkelijk, eenzaam soms en oncormfortabel. In mijn boek toon ik mijn eerbied voor hem, al weet ik bijna zeker dat ik zijn voorbeeld niet had willen of kunnen volgen.’
U BENT JAREN actief geweest in de Amerikaanse homobeweging, waar de gemeenschapszin en de politieke correctheid in hoog aanzien staan. Genets homoseksualiteit is daarvan het exacte tegendeel.
'Hij geloofde inderdaad niet in gayness, die verlichte, Atlantische variant van de mannenliefde die eind jaren zestig gepolitiseerd moest worden en bevrijd. Voor Genet was homoseksualiteit per se asociaal, onalledaags en marginaal. In zijn ogen behoorde de nicht een gepaste afstand te bewaren tot de gewone burgerwereld. Het kost me uiterste moeite hem voor te stellen in een homodemonstratie, waar de mensen beschilderd, bespandoekt en wel om gelijke rechten vragen. Hij hoefde niet zo nodig geaccepteerd te worden.
In die zin heb ik een man geportretteerd die weinig ophad met de homopolitieke activiteiten waar ik mij vroeger voor heb ingezet. Door zijn biografie te schrijven en me te verdiepen in zijn standpunten werd ik gedwongen om mijn eigen verleden opnieuw onder de loep te nemen.
Als biograaf word je in de gelegenheid gesteld om stiekem ook nog dat andere leven te leiden waar je zelf niet aan was toegekomen.’
En nu hebt u afstand gedaan van uw vroegere opvattingen?
'Nee’, roept Edmund White.
'Ja’, zucht Edmund White.
'Althans, dat is te zeggen.’
'Kijk, ik vind het veel gevraagd om van iedereen die toevallig homoseksueel is te ver wachten dat hij zich als non-conformist en revolutionair opstelt. In dat opzicht deel ik Genets compromisloze opvatting niet. Hij verachtte de normalisering van het homoseksuele leven, maar ik zie daar toch ook de praktische voordelen van in. Niet iedereen is het tenslotte gegeven om gracieus heen en weer te pendelen tussen de gevangenis en een derderangs hotel, zoals Genet in zijn jonge jaren placht te doen.
Maar tegelijkertijd komt de hedonistische subcultuur die zich in de Amerikaanse en Europese steden heeft ontwikkeld, me als uiterst vervreemdend voor. Er spreekt een zelfgenoegzaamheid uit die mij tegen de borst stuit. Wat ooit een afwijkende, controversiele positie was, is nu teruggebracht tot een avondje homoseksueel uitgaan. En in die bars geldt het als buitengewoon onfatsoenlijk om van enige kritische of politieke zin blijk te geven. Ik voel me daar net zo min mee verwant als Genet.’
White verbetert zichzelf: 'Niet meer, althans.’
OMDAT WHITE AL seropositief was toen hij aan de achthonderd pagina’s tellende biografie begon. Omdat zijn geliefde vlak na het verschijnen van het boek aan aids is overleden. En omdat het hem steeds meer moeite kost om zich die lome, welgedane avonden voor de geest te halen op Fire Island, waar hij twintig jaar geleden met vrienden de zomers doorbracht in een van de riante vakantiehuizen waarmee zijn kennissenkring zo rijkelijk was bedeeld.
Om al die redenen heeft de biograaf zich weleens afgevraagd hoe de beroemde schrijver op de aidsepidemie zou hebben gereageerd, die in Europa pas na Genets dood in 1986 in alle hevigheid losbarstte.
'Ik denk dat hij zich veel meer het lot van de zwarte Afrikanen zou hebben aangetrokken, waar de ziekte inderdaad het snelst om zich heen grijpt, dan dat hij zo begaan zou zijn met mij, blanke, middle-class nicht. Het is gek’, peinst White hardop en plotseling half-verwonderd, 'dat je bijna nooit hoort van homo’s die naar Afrika afreizen om daar de aidsslachtoffers te verplegen. Op de een of andere manier valt die taak steevast toe aan brave ontwikkelingswerkers, die altijd hetero zijn. Gek…’
En alsof die gedachte afgebroken moet worden voordat de consequentie ervan ten volle tot hem doordringt, valt White zichzelf in de rede: 'Genet vereenzelvigde zich volkomen met de verdrukten en de paria’s. Hij beschouwde zichzelf als tuig, ook toen hij de tuchthuizen en de gevangenissen allang achter zich had gelaten en een beroemd schrijver was geworden.
Een woord als solidariteit drukt die verwantschap nog onvoldoende uit. Genet heeft meermalen verzucht dat hij een zwarte man had willen zijn, of een Palestijn. Dat lijken nu keurige standpunten, waarmee je ieder talkshowpubliek op je hand krijgt, maar in de jaren vijftig en zestig waren dat ongehoorde, vreemde meningen.’
'ALS HET MAAR om echte marginalen ging - en als ze dat vooral ook bleven: Genet verdedigde bij wijze van spreken eerder een potenrammer die uit een tehuis was ontsnapt dan de cruisende homo die door zo'n jongen in elkaar werd geslagen.
“Ik ben een dief, een verrader en een nicht” - daaraan hield Genet zich vast, dat waren zijn onvervreemdbare persoonskenmerken. Ik ben er daarom ook van overtuigd dat het writers’ block dat Genet trof na het schrijven van zijn autobiografische romans - zeven jaar lang liet hij niets van zich horen - minder te maken had met het verschijnen van Sartre’s beroemde hagiografie Saint Genet, zoals Genet zelf altijd heeft gesuggereerd, en dat zijn artistieke crisis eerder het gevolg was van het generaal pardon dat de Franse president Vincent Auriol hem in 1949 verleende. Plotseling werd Genet dank zij de voorspraak van beroemde vrienden als De Beauvoir, Sartre en Cocteau ontslagen van alle gevangenisstraffen die hij nog moest uitzitten, op voorwaarde dat hij nooit meer in aanraking zou komen met de Franse politie.
Genet heeft zich aan die afspraak gehouden, maar tegelijkertijd moet het voor hem zijn geweest alsof hij gecastreerd werd en van zijn identiteit beroofd.
Wat heet nog een crimineel, wanneer zo iemand nooit meer een misdaad mag begaan? Pas later slaagde hij erin zich te koesteren in de gevaarlijke uitstraling die anderen hem konden bieden en legde hij contacten met de Black Panthers en met radicale Palestijnse groeperingen. Dat werden zijn verlengstukken van het subversieve leven dat hem zelf was ontnomen.
Genet nam de gevleugelde uitdrukking van Rimbaud heel letterlijk: “Je est un autre”, “Ik is een ander”. En Genet was altijd bezig die ander te worden, ook in zijn seksuele verhoudingen.
En omdat in de homoseksualiteit de rollen gemakkelijker omkeerbaar zijn dan in heteroseksuele relaties, probeerde hij naarmate hij ouder werd de stoere, ongenaakbare man te worden die hij als jong nichtje begeerd moet hebben.
Dat is pas soeverein, om op latere leeftijd je eigen jeugdverlangen te belichamen.
Want Genet viel op macho’s die op breken stonden, op harde, criminele lefschoppers die er voor het eerst van hun leven toe overgingen zich door een andere kerel te laten pijpen.’
De jonge Franse ober steekt verschrikt zijn hoofd om de deur.
'Nou ja’, dempt White zijn stem, 'hoe zeg je dat: te laten… bevredigen.’
'Het was een heel ander type dan ik’, legt White ten overvloede uit.
Dan leunt hij achterover, schurkt zich behaaglijk in de fluwelen rugleuning van de stoel en vraagt de ober, die wat onwennig naast de tafel staat, allercharmanst om champagne.